Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Geelpootmeeuw
Geelpootmeeuw
Larus michahellis | Yellow-legged gull | Gaviota patiamarilla
De geelpootmeeuw is de grote meeuw van de Middellandse Zee en de Iberische kust, en sinds enkele decennia ook een vaste verschijning op Nederlandse rivierstranden. Wie hem in Spanje leert kennen, herkent hem daarna in een Hollandse meeuwengroep aan houding en toon alleen.
Geluid
Dieper en nasaler dan de zilvermeeuw, met een volle, aflopende lachroep gaou-gaou-gaou die met de kop achterover wordt uitgestoten, en een kort ga-ga bij onrust. In Spaanse en Italiaanse havensteden hoor je het jaarrond vanaf daken en pieren, in Nederland vooral van solitaire vogels tussen zilvermeeuwen. De toon is het beste kenmerk als je de vogel alleen hoort: zwaarder en hoorbaar hees vergeleken met het heldere gejank van de zilvermeeuw.
Opname: Cedric Mroczko — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een forse, hoogbenige meeuw met een mantel die duidelijk donkerder grijs is dan bij de zilvermeeuw en duidelijk lichter dan bij de kleine mantelmeeuw. De poten zijn helder chroomgeel, het oog bleekgeel met een dikke, felrode oogring, en de zware snavel heeft een sterke gonyshoek met een grote rode vlek die vaak tot op de bovensnavel doorloopt. Belangrijk is het ruischema: de kop is al in augustus en september spierwit, zonder de vlekkerige wintertekening die de zilvermeeuw dan juist krijgt. In de vleugelpunt zit veel zwart, met één duidelijke spiegel op p10 en hooguit een kleine op p9, wat in vlucht een zware zwarte wig geeft. Eerstejaars zijn opvallend contrastrijk: donker gemaskerd rond het oog, vroeg witte kop en onderdelen, geblokte grote dekveren, egaal donkere tertials met een smalle lichte punt, en een witte stuit die scherp afsteekt tegen een strakke zwarte staartband.
Verwarringssoorten
Zilvermeeuw is de eerste toets: lichter grijze mantel, vleeskleurige poten, kleinere rode snavelvlek, en in het najaar en de winter een gestreepte, vuile kop terwijl de geelpootmeeuw dan al wit is. Pontische meeuw is het lastigere geval: die heeft een lange, parallelle snavel zonder uitgesproken gonyshoek, een klein en vaak donker oog in een aflopend voorhoofd, langere vaalroze tot geelroze poten, meer wit in de handpen en een witter uitziende ondervleugel; hij oogt langgerekt en peervormig, waar de geelpootmeeuw hoekig en stoer is. Kleine mantelmeeuw heeft ook gele poten, maar een veel donkerder leigrijze mantel die op afstand bijna zwart tegen het witte lichaam afsteekt. Bij eerstejaars zijn de kaarten anders geschud: pontische meeuw heeft egaal grijze schouderveren en een bleke kop, geelpootmeeuw grover geblokte dekveren en een donker oogmasker.
Leefgebied
Rotskusten, kliffen, stranden, zoutpannen, havens, stuwmeren, rivierstranden, vuilstortplaatsen en platte daken in steden. Broedt in kolonies op rotseilandjes, kliffen en steeds vaker op gebouwen, van Barcelona tot Rome. In Nederland vooral op zand- en slikplaten langs de grote rivieren, in de Delta en op industrieterreinen, doorgaans tussen zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt ligt in de Middellandse Zee, langs de Atlantische kust van Iberië en Marokko en op de eilanden; Spanje herbergt honderdduizenden paren en de soort is er langs vrijwel de hele kust en op grote binnenmeren de gewoonste grote meeuw. Van daaruit rukt hij noordwaarts op, via Frankrijk en Zwitserland tot in Duitsland en Nederland. In Nederland is het een schaarse maar snel toenemende gast, met een piek van juli tot oktober langs de Waal, de Rijn en in de Delta, en met sinds 2011 enkele zuivere broedgevallen.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in augustus of september naar een zandplaat in de rivieren, bijvoorbeeld langs de Waal bij Nijmegen of in het Deltagebied, en zoek in een meeuwengroep de vogel met de spierwitte kop tussen de gestreepte zilvermeeuwenkoppen. Werk daarna van boven naar beneden: mantelkleur tegen de buurman afzetten, dan poten, dan oogring en snavelvlek. In Spanje kun je de soort het beste in de hand krijgen aan een vissershaven bij zonsopkomst, waar de vogels op korte afstand rusten en je alle kleden naast elkaar hebt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de soort profiteert al decennia van visserijafval, vuilstort en daken als broedplaats en breidt zich in vrijwel heel West-Europa uit. Die groei heeft een keerzijde: in de Middellandse Zee verdringen geelpootmeeuwen kleinere kolonievogels als audouinsmeeuw en stormvogeltjes, en op sommige eilanden worden aantallen actief beheerd. In Nederland neemt de soort jaarlijks toe en is de kans op een broedgeval in een gemengde kolonie inmiddels reëel.





