Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Blauwvleugeltaling
Blauwvleugeltaling
Spatula discors | Blue-winged teal | Cerceta aliazul
De Noord-Amerikaanse tegenhanger van de zomertaling en de meest waarschijnlijke Nearctische grondeleend op een plas in het binnenland. Een baltsend mannetje in mei is met zijn witte gezichtsmaan onmiskenbaar; alle andere kleden vragen een lange, geduldige vergelijking met de zomertaling.
Geluid
Weinig te horen. Mannetjes geven in groepjes een dun, hoog en piepend tsie-tsie dat nauwelijks draagt; vrouwtjes een zacht, ietwat nasaal kwakend kwek-kwek. De kans op geluid is het grootst bij baltsende vogels in mei en juni, en een enkele dwaalgast tussen zomertalingen zwijgt meestal.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Het mannetje in prachtkleed heeft een leigrijze kop met een scherpe, witte halvemaan tussen snavel en oog, een warm gespikkeld lichaam en een wit flankvlak vóór de zwarte staartwig. Vrouwtje, eclipsman en jonge vogel zijn bruin gevlekt met een tamelijk egale kop, een opvallende lichte vlek aan de snavelbasis en een onderbroken lichte oogring. De snavel is lang en aan het eind iets verbreed, de poten zijn geel, en in vlucht valt het lichtblauwe voorvleugelpaneel op met daarachter een witte band over de grote dekveren.
Verwarringssoorten
De zomertaling Spatula querquedula is de enige echte valstrik. Het mannetje daarvan heeft een brede witte wenkbrauwstreep die tot in de nek doorloopt over een bruine kop, waar de blauwvleugeltaling een leigrijze kop met een verticale witte maan draagt. Bij vrouwtjes zit het verschil in de kop: de zomertaling heeft een duidelijk gestreept gezicht met donkere oogstreep, lichte wenkbrauw en een tweede lichte lijn over de wang, terwijl de blauwvleugeltaling een egalere kop heeft met een grotere, witte snavelbasisvlek, een zwaardere snavel en gele poten. Vrouwtjes slobeend zijn groter en hebben een veel bredere, lepelvormige snavel.
Leefgebied
Ondiepe zoete plassen met veel oevervegetatie: rietkragen, plas-drasgebieden, ondergelopen grasland en de slikkige randen van natuurontwikkelingsgebieden. De vogel houdt zich graag vlak bij de dekking op en gaat overdag vaak slapen op een slikplaat of tussen de biezen, waardoor hij lang over het hoofd wordt gezien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska tot de Amerikaanse prairiestaten en overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten tot Zuid-Amerika; het is een van de eerste eenden die in augustus wegtrekt. In Europa is het een jaarlijkse dwaalgast, met de meeste gevallen in Ierland, Groot-Brittannië en langs de Atlantische kust; in Nederland gaat het om een handvol gevallen, in Spanje om losse waarnemingen die door het Comité de Rarezas worden beoordeeld. De soort wordt in Europa ook in collecties gehouden, dus vogels buiten het gebruikelijke seizoen verdienen dezelfde argwaan als andere siereenden.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek van eind april tot juni op ondiepe, rietrijke plassen en in mei ook op plas-dras in natuurgebieden. Werk slapende groepjes zomertalingen af tot elke vogel zijn kop heeft opgetild, en let bij opvliegen op de blauwe voorvleugel met de witte band erachter. In september en oktober loont hetzelfde werk aan de kustplassen, maar dan zonder de zekerheid van het prachtkleed.
Staat van instandhouding
Talrijk en wijd verspreid in Noord-Amerika, met een populatie die op miljoenen wordt geschat en van jaar tot jaar sterk schommelt met de waterstand op de prairie. Drooglegging van de prairiepoelen, langdurige droogte en jachtdruk in de trekbanen zijn de bekende drukfactoren; voor de Europese waarnemingen zeggen ze weinig, want die betreffen enkelingen die op de trek zijn afgedreven.



