Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Forsters stern
Forsters stern
Sterna forsteri | Forster's tern | Charrán de Forster
Een Nearctische stern die in Europa vrijwel alleen in winterkleed opduikt, en dan te herkennen aan een zwart oogmasker dat als een losse vlek achter het oog blijft staan. Verscheidene vogels bleven een hele winter in hetzelfde estuarium hangen.
Geluid
Laag, nasaal en schurend: een kort, hard kjèrr of zaaarr, duidelijk lager en droger dan het schelle kriejèh van de visdief en zonder de opgewekte, hoge toon van de noordse stern. In vlucht daarnaast een korte, droge kit. Een overwinterende dwaalgast is meestal zwijgzaam, maar wie geduld heeft bij een vogel die van paal naar paal verkast, krijgt het geluid vroeg of laat te horen, en dan is het doorslaggevend.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Iets forser dan een visdief, met langere poten, een zwaardere snavel en een langere, diep gevorkte staart. In broedkleed een zwarte kap, een oranje snavel met zwarte punt en een spierwitte onderzijde zonder de grijze waas van de visdief; de bovenvleugel is dan bleek met opvallend zilverwitte handpennen die lichter ogen dan de mantel. In winterkleed, waarin vrijwel alle Europese vogels zijn gezien, is de kruin wit tot lichtgrijs en staat er een compact zwart masker over en achter het oog dat de nek niet bereikt. De snavel is dan zwart, de poten oranjerood en tamelijk lang. De buitenste staartpennen zijn grijs, niet wit, en de staart steekt bij een zittende vogel voorbij de vleugelpunt. De lengtemaat is inclusief die staartpennen.
Verwarringssoorten
Het hele verhaal zit in de kop, en de tegenstander is de visdief in winterkleed. Bij de visdief loopt het zwart van vlak vóór het oog door over de achterkruin tot in de nek, zodat er een aaneengesloten donkere band over het achterhoofd ligt met een wit voorhoofd ervoor. Bij forsters stern staat het zwart als een losse, scherp begrensde vlek over en achter het oog, met een witte tot lichtgrijze kruin en een witte nek eromheen: een masker of een zwarte komma die aan beide kanten vrij in het wit ligt. Het tweede kenmerk is de vleugel. Forsters stern heeft een bleek, zilverachtig handpenveld dat lichter oogt dan de mantel, en mist de donkere polsstreep die de visdief in winterkleed en als juveniel over de voorvleugel draagt; bij de visdief is juist de hand het donkerste deel van de bovenvleugel. Verder is forsters stern langer van poot, zwaarder van snavel en langer van staart, met grijze in plaats van witte buitenste staartpennen, en de onderdelen zijn wit zonder grijze waas, wat ook de noordse stern uitsluit. Op afstand blijft de combinatie bleke buitenvleugel plus zwarte oogvlek het betrouwbaarst; roept de vogel, dan bevestigt de lage, nasale, schurende toon het beeld.
Leefgebied
In Noord-Amerika een moerasvogel: broedt in losse kolonies op drijvende matten van riet en lisdodde in zoete en brakke moerassen, op kwelders en langs de randen van ondiepe meren. Buiten de broedtijd volledig kustgebonden, in estuaria, getijdegeulen, havens, lagunes en op zandplaten. Foerageert biddend en duikend boven ondiep water en pikt daarnaast insecten van het wateroppervlak, iets wat de visdief veel minder doet. De Europese vogels hebben zich vrijwel altijd in een estuarium of een haven opgehouden en bleven daar soms maandenlang.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het binnenland van Noord-Amerika, van de Canadese prairieprovincies tot de Great Plains, met daarnaast kustpopulaties langs de Atlantische kust, de Golf van Mexico en in de baai van San Francisco. Overwintert langs de zuidelijke kusten van de Verenigde Staten tot in Midden-Amerika. In Europa een dwaalgast met het zwaartepunt in Ierland en Groot-Brittannië, waar meerdere vogels een hele winter bleven en in opeenvolgende jaren naar hetzelfde estuarium terugkeerden. Voor de Nederlandse vogelaar is het daarmee vooral een soort om op voorbereid te zijn.
Waar en wanneer kijken
De kans ligt in de winter, niet in de zomer. Scan tussen november en maart de sterns die nog langs de kust hangen: elke stern die na oktober in een haven, een estuarium of op een strandhoofd blijft zitten verdient een blik op de kop. Kijk eerst naar de kopvlek en pas daarna naar de rest, want een visdief in winterkleed op afstand oogt in eerste instantie hetzelfde. Omdat deze soort de neiging heeft weken tot maanden op dezelfde pier te blijven, is een melding uit de buurlanden vrijwel altijd het narijden waard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de Noord-Amerikaanse populatie is groot en over veel gebieden verspreid. Regionaal staat de soort wel onder druk door het verdwijnen van kwelders en zoetwatermoerassen, met de baai van San Francisco als bekendste voorbeeld, waar naast habitatverlies ook kwikbelasting van de broedkolonies speelt. Voor het Europese beeld heeft dat weinig betekenis: hier gaat het om losse vogels die met westelijke stromingen zijn meegekomen, en om de vraag hoeveel er onopgemerkt tussen de overwinterende sterns zitten.



