Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Ross' meeuw

Ross' meeuw

Rhodostethia rosea | Ross's gull | Gaviota de Ross

Een kleine hoogarctische meeuw met een wigvormige staart en, in zomerkleed, een rozerode gloed over borst en buik. De soort broedt in de moerastoendra van Noordoost-Siberië en brengt de winter door langs de rand van het pakijs; elk geval in de Lage Landen trekt honderden vogelaars.

Ross' meeuw (Rhodostethia rosea)
Foto: ruseva — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie vrijwel zwijgzaam. In het broedgebied een hoog, ternachtig a-woe a-woe en een droog ratelend gekakel. Van een dwaalgast in West-Europa hoor je hooguit een korte, schrille roep op het moment dat de vogel opvliegt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Compact, met lange spitse vleugels en een staart waarvan de middelste pennen uitsteken, zodat een gespreide staart een duidelijke wig laat zien. De snavel is opvallend klein en zwart, de poten rood. Adulte vogels hebben in zomerkleed een lichtgrijze mantel, een witte kop, een dun zwart halsbandje en een roze waas over de onderdelen; de ondervleugel is egaal grijs. In winterkleed verdwijnt het bandje en blijft een donkere oorvlek over. Eerstejaars vogels dragen een zwarte W over de bovenvleugel, met zwart alleen aan de uitstekende middelste staartpennen.

Verwarrings­soorten

Dwergmeeuw en drieteenmeeuw zijn de twee om af te werken. De dwergmeeuw is kleiner, heeft rondere vleugelpunten, een rechte staart en bij adulte vogels een zwarte ondervleugel; de ross-meeuw heeft de wigvormige staart, een grijze ondervleugel en een kortere, fijnere snavel dan beide. Jonge drieteenmeeuwen delen de zwarte W, maar zijn groter en langvleugeliger en dragen een brede zwarte halskraag, terwijl de ross-meeuw in zomerkleed juist een smal zwart lijntje om de keel heeft. Het roze waas over borst en buik hoort alleen bij deze soort en verbleekt in fel licht, dus beoordeel eerst de bouw en pas daarna de kleur.

Leefgebied

Pakijs, ijsranden en de open geulen daartussen, waar de vogels prooi van het oppervlak pikken zoals een franjepoot dat doet. In de broedtijd natte polygoontoendra met plassen en zeggen, met muggen en kleine kreeftachtigen als voedsel. Een dwaalgast in Europa gaat zitten waar meeuwen rusten: een strand, een havenkom of een spuisluis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het zwaartepunt van het broedgebied ligt in Noordoost-Siberië, met kleine aantallen op Groenland, in Arctisch Canada en rond Spitsbergen. Na de broedtijd trekken de vogels eerst oostwaarts langs de Siberische noordkust en overwinteren ze bij de ijsrand. Europese gevallen liggen verspreid van IJsland en Noorwegen tot de Noordzeekusten; in Nederland en België gaat het om een handvol waarnemingen, vrijwel alle in de winter.

Waar en wanneer kijken

De kans is het grootst in late herfst en winter, na een aanhoudende noordelijke stroming. Loop meeuwengroepen langs de Waddenkust of bij een havenmond na en beoordeel eerst het vluchtbeeld: licht en ternachtig, met snelle ondiepe slagen en vleugels die langer ogen dan bij een dwergmeeuw.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd, maar de wereldpopulatie bedraagt slechts enkele tienduizenden vogels en is tussen het ijs nauwelijks te tellen. Krimpend zee-ijs, toenemende scheepvaart en olie- en gaswinning in de Arctische zeeën zijn de grootste zorgen, juist omdat de vogels in de winter afhankelijk zijn van de ijsrand.