Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Grauwe kiekendief
Grauwe kiekendief
Circus pygargus | Montagu's harrier | Aguilucho cenizo
De grauwe kiekendief is de elegantste van de drie: zo licht gebouwd dat hij boven het graan eerder lijkt te zweven dan te vliegen. In Nederland is hij het symbool geworden van akkervogelbescherming, want vrijwel de hele Nederlandse stand broedt tussen de gewassen van de Groningse en Flevolandse akkers.
Geluid
Zwijgzaam buiten de kolonie. Rond het nest een snel, hoog en wat ratelend kek-kek-kek, iel en nasaal, aanmerkelijk hoger dan bij de blauwe kiekendief. Het vrouwtje bedelt bij de prooioverdracht met een langgerekt, klagend pie-jèh; die roep verraadt bij een prooioverdracht boven het graan vaak de nestplaats. Buiten het broedgebied en op trek hoor je de soort niet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slank, langvleugelig en langstaartig, met een lichte, veerkrachtige vleugelslag en de vleugels in een duidelijke V. De vleugel is spits en heeft slechts vier ingesneden handpennen, waardoor de punt smaller oogt dan bij de blauwe kiekendief. Man: leigrijs op kop, borst en bovendelen, met een zwarte streep dwars over de armpennen van de bovenvleugel — het beste kenmerk van de soort — en twee zwarte banden over de ondervleugel. De buik is wit met fijne roestbruine strepen op flanken en onderstaartdekveren, de vleugelpunt is uitgebreid zwart maar niet scherp begrensd, en de stuit is grijs met hooguit een smalle bleke zoom. Vrouw: bruin en gestreept, met een gebandeerde staart, een klein en smal wit stuitvlak en een fijn gebandeerde onderarm. Onvolwassen: warm roodbruin en ongestreept op de onderdelen, met een donker gezichtsmasker, een onvolledige bleke halskraag en een donkere, dubbel gebandeerde onderarm.
Verwarringssoorten
Het onderscheiden van blauwe, steppe- en grauwe kiekendief is de klassieke oefening. De man grauwe kiekendief herken je aan de zwarte armpenbalk op de bovenvleugel en de twee zwarte banden op de ondervleugel; blauwe en steppekiekendief hebben die niet. Verder is hij slanker, spitser en donkerder grijs dan een blauwe kiekendief, met een zwarte vleugelpunt die geleidelijk in het grijs overloopt in plaats van er scherp tegen af te steken, en met roestbruine strepen op de flanken. Tegenover de steppekiekendief oogt hij donkerder en minder wit, met een bredere zwarte handpenpartij. Bij vrouwen en jonge vogels zit het verschil in kop en onderarm: de grauwe heeft een onvolledige, aan de voorzijde open halskraag en een donker, dubbel gebandeerd middenveld op de onderarm, terwijl de steppekiekendief een gesloten kraag en een opvallend bleek, ongebandeerd middenveld heeft. Blauwe kiekendief is forser gebouwd, breder van vleugel, met vijf ingesneden handpennen en een veel groter wit stuitvlak. Op grote afstand helpt de vlucht: de grauwe kiekendief slaat losser en veerkrachtiger, bijna sternachtig.
Leefgebied
Oorspronkelijk een vogel van moerassen, duinen, hoogveen en steppe; in West-Europa nu grotendeels overgestapt op akkerland en broedend in wintertarwe, gerst en luzerne. Foerageert boven kruidenrijke akkerranden, braakstroken, natuurbraak en bermen, waar hij op veldmuizen, jonge vogels en grote insecten jaagt. Nestelt op de grond, meestal los in kleine kolonies, waardoor het broedsucces bij vroege oogst volledig van beschermingsmaatregelen afhangt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van bijna heel Europa, met de zwaartepunten in Spanje, Frankrijk, Polen en Rusland; overwintert in de Sahel en Oost-Afrika. In Nederland telt de stand enkele tientallen paren, geconcentreerd in de akkerbouwgebieden van Oost-Groningen, de Flevopolders en Zuidwest-Friesland, waar vrijwilligers de nesten opsporen en er beschermde zones omheen leggen. In Spanje is de soort veel talrijker: duizenden paren in de graanvlaktes van Castilië, Extremadura en Andalusië, waar de vroege graanoogst dezelfde bedreiging vormt.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in juni of juli langs de akkerbouwgebieden van Oost-Groningen of de Flevopolders en zoek de brede, kruidenrijke akkerranden af. Vroeg in de ochtend en in de laatste uren voor zonsondergang zijn de vogels het actiefst, en dan zie je met wat geluk een prooioverdracht in de lucht: het mannetje laat een muis vallen, het vrouwtje draait zich om en vangt hem. In Spanje volstaat een rustige weg door de graanvlakte van Extremadura in mei; daar zijn ze op sommige plekken talrijker dan buizerds.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in West-Europa sterk afhankelijk van mensenwerk. Doordat de soort in gewassen broedt die vóór het uitvliegen worden geoogst, hangt het broedsucces af van het opsporen en beschermen van nesten. Intensivering van de landbouw, het verdwijnen van braak en het instorten van veldmuizenstanden drukken de aantallen; in Nederland houdt gericht akkervogelbeheer de kleine populatie op de been. De Europese trend is licht negatief, met vooral verliezen in het zuiden en oosten.


