Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Lammergier

Lammergier

Gypaetus barbatus | Bearded vulture | Quebrantahuesos

Van alle Europese gieren is de lammergier de enige die je op silhouet alleen al van kilometers ver herkent: een reusachtige donkere sikkel met een lange wigvormige staart, die zonder één vleugelslag langs een rotswand schuift. Hij eet vrijwel uitsluitend bot, en dat verklaart zowel zijn bouw als zijn gedrag.

Lammergier (Gypaetus barbatus)
Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel altijd zwijgzaam; de meeste waarnemers horen de soort nooit. Bij het nest en tijdens de balts een dun, hoog, valkachtig tsjie-oek of een schril gefluit, en soms een zacht kekkerend tsjek-tsjek. Communicatie verloopt vooral visueel: tandemvluchten van het paar, het spreiden van de kopveren en het opzetten van de baard.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Zeer grote roofvogel met opvallend lange, smalle, aan de punt teruggebogen vleugels en een lange, wigvormige staart die langer is dan de vleugel breed — de enige Europese gier met die verhouding, en het kenmerk waarop alles draait. Adult: leigrijze tot zwartige bovendelen met lichte veerschachten, roomwitte tot diep roestoranje kop, hals en onderdelen (dat oranje komt van baden in ijzerhoudende modder, niet uit het verenkleed zelf), een zwart oogmasker dat overgaat in een zwarte borstelbaard onder de snavel, en een bloedrode oogring in een strogeel oog. Anders dan de echte gieren is de kop volledig bevederd; hij steekt zijn kop immers niet in een karkas. Onvolwassen vogels zijn egaal donker roetbruin met een zwartige kop en hals, hebben een bredere, stompere vleugel en een kortere staart, en zijn pas na vijf tot zeven jaar volledig uitgekleurd.

Verwarrings­soorten

Vale gier is korter en veel breder gevleugeld, met een korte, recht afgesneden staart die nauwelijks voorbij de vleugelachterrand uitsteekt, sterk gevingerde handpennen, een uitpuilende witte donskraag en een ingetrokken, kale kop; hij zweeft met de vleugels in een duidelijke V. Monniksgier is nog logger en egaal donker, met zeer brede, plankachtige vleugels met een rechte achterrand en een korte staart die hooguit licht wigvormig is. De lammergier zweeft daarentegen op vlakke of licht hangende vleugels, laat de kop en hals ver vooruitsteken en toont die lange ruitstaart; op afstand doet de vorm eerder aan een tot reuzenformaat opgeblazen valk denken dan aan een gier. Een jonge lammergier is donkerder en breder gevleugeld dan een adulte en wordt dan het snelst met monniksgier verward — kijk opnieuw naar de staart.

Leefgebied

Hooggebergte met diepe dalen, verticale rotswanden en betrouwbare hangwinden. Het nest ligt in een grot of onder een overhang in een ontoegankelijke wand, doorgaans tussen 500 en 2500 meter, en wordt jarenlang hergebruikt. Foerageert boven alpiene weiden, puinhellingen, sneeuwvelden en struweel op en boven de boomgrens, en in de zuidelijke bergketens ook boven droge, stenige berggraslanden, waar kadavers van gems, steenbok, marmot en vrij grazend schaap liggen. Kenmerkend zijn de vaste botbreekplaatsen: gladde rotsplaten en steenhellingen waar de vogel al generaties lang botten stukgooit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het bolwerk in West-Europa zijn de Pyreneeën, met ruim honderd broedparen aan Spaanse en Franse zijde en uitbreiding naar het Cantabrisch gebergte en het Iberisch Systeem. Verder Kreta (negen tot tien paar), Corsica (nog een handvol paren en in ernstige problemen), de Turkse bergketens en de Kaukasus; op de Balkan is de soort als broedvogel vrijwel verdwenen. In de Alpen werd hij rond 1900 volledig uitgeroeid. Vanaf 1986 zijn er jonge vogels uitgezet in de Hohe Tauern, Haute-Savoie, de Vercors en het Zwitserse Wallis; in 1997 vloog het eerste in het wild geboren jong uit en inmiddels broeden er meer dan honderd paren, de op één na grootste populatie van Europa. In Andalusië loopt sinds 2006 een tweede herintroductie in de Sierras de Cazorla, Segura y Las Villas, met het eerste wilde jong in 2015 en nu zo'n vijftien territoria; ook in de Picos de Europa, het Maestrazgo, de Sierra Nevada en de Franse Grands Causses zijn vogels uitgezet.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kies in de Pyreneeën of de Alpen een heldere ochtend in de late winter of het vroege voorjaar en ga naar een uitkijkpunt met zicht over een grote rotswand en het dal ervoor; tussen negen en twaalf uur komt de thermiek op gang en patrouilleren de vogels langs de wand, vaak op ooghoogte of onder je. In Spanje zijn de kijkhutten bij de voederplaatsen in de Sierra de Guara en rond Ordesa het meest betrouwbaar, in de Alpen de dalen rond Leukerbad, de Vanoise en de Hohe Tauern. Bij elke gier die langskomt: eerst naar de staartvorm kijken, dan pas naar de kleur.

Staat van instandhouding

IUCN: Near Threatened (gevoelig). Wereldwijd neemt de soort af, maar in Europa gaat het na een historisch dieptepunt juist beter: herintroducties, vaste voederplaatsen en bescherming van broedwanden hebben de Europese stand op ruwweg zeshonderd tot duizend paren gebracht. De belangrijkste doodsoorzaken zijn illegale vergiftiging via lokaas voor roofdieren, loodvergiftiging uit jachtmunitie in kadavers, aanvaringen met kabelbanen, hoogspanning en windturbines, en verstoring van broedwanden door klimmers, paragliders en drones. Omdat een paar hooguit één jong per jaar grootbrengt en pas rond het achtste levensjaar begint te broeden, werkt de dood van elke volwassen vogel jarenlang door in de populatie.