Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote franjepoot
Grote franjepoot
Phalaropus tricolor | Wilson's phalarope | Falaropo tricolor
De grootste en langpotigste van de drie franjepoten, en de enige die zich vooral als een gewone steltloper gedraagt: hij loopt en waadt over het slik in plaats van rond te tollen op diep water. In Europa een dwaalgast van ondiepe binnenwateren, bijna nooit van zee.
Geluid
Meestal zwijgzaam, en in Europa vrijwel altijd zonder geluid gezien. Wie iets hoort, hoort een laag, nasaal en knorrend oemp of aangh, kort en zonder scherpte, heel anders dan het hoge harde kit van de grauwe franjepoot. Op het broedgebied laten vrouwtjes bij de balts een reeks van diezelfde lage knorrende tonen horen. Reken bij een dwaalgast niet op geluid als hulpmiddel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slank, langhalzig en langpotig, met een naaldfijne zwarte snavel die langer is dan de kop. Het vrouwtje in zomerkleed is de opvallendste: lichtgrijze kruin, wit gezicht en keel, en een brede zwarte band die vanaf het oog langs de hals loopt en naar achteren kastanjebruin wordt, doorlopend over de mantelzijden; de bovendelen zijn grijs met roodbruine banen. Het mannetje draagt hetzelfde patroon maar veel matter en bruiner. In winterkleed en bij jonge vogels is de vogel opvallend bleek en effen: lichtgrijze bovendelen zonder streping, een wit gezicht met hooguit een vage donkere vlek achter het oog, witte onderdelen en okergele poten. In vlucht is er geen vleugelstreep, wel een witte stuit en een lichtgrijze staart, en de poten steken ver voorbij de staart.
Verwarringssoorten
Grauwe en rosse franjepoot zijn de twee soorten waarmee hij op één rij ligt. De snavel is beslissend: bij de grote franjepoot naaldfijn, geheel zwart en duidelijk langer dan de kop, bij de grauwe franjepoot even fijn maar korter dan de kop, en bij de rosse franjepoot korter, dikker, stomper en aan de basis geel. De halskleur scheidt de zomerkleden: bij de grote loopt een zwarte band die naar achteren kastanjebruin wordt van het oog langs de hals over de mantelzijden, bij de grauwe staat een scherp begrensde roestrode vlek op de halszijde onder een leigrijze kop, en de rosse is van keel tot staart egaal roestrood met een wit gezichtsmasker. In winterkleed is de grote veel bleker en effener dan beide andere en mist hij het zwarte oogmasker dat die juist zo scherp tekent. Zijn poten zijn okergeel in plaats van donker, hij heeft geen witte vleugelstreep, en het gedrag verraadt hem: hij foerageert vaker wadend en lopend over ondiep slik, met zijwaarts maaiende snavelbewegingen, dan zwemmend en tollend.
Leefgebied
Ondiep, vaak licht zilt binnenwater: kleiputten en plas-drasgebieden, inlagen en karrevelden, bezinkvelden van rioolwaterzuiveringen, zoutpannen en tijdelijk overstroomde graslanden. Hij loopt langs de waterlijn en waadt tot boven de tarsus, maait met de snavel door het water en zwemt maar af en toe. Broedt in het binnenland van westelijk Noord-Amerika, op natte prairiemoerassen en zeggenrijke hooilanden rond ondiepe plassen. Op de trek verzamelen tienduizenden zich op grote zoutmeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de prairies en intermontane bekkens van westelijk Noord-Amerika, overwinterend op zoutmeren in de Andes en op de zoutvlaktes en lagunes van Argentinië en Bolivia. In Europa is het een schaarse maar tamelijk regelmatige dwaalgast. Nederland telt zesentwintig aanvaarde gevallen tot en met 2022, in de maanden april tot november en met de meeste vogels in juli tot oktober; Flevoland, Texel, de kop van Noord-Holland en Zeeland leveren de meeste. Spanje kwam tot twaalf aanvaarde gevallen tot en met 2004, sinds het eerste in 1971, verdeeld over acht najaarsvogels met een piek in oktober en vier voorjaarsvogels, alle in mei; de meeste langs de kust, daarnaast in La Mancha, op Mallorca en op de Canarische Eilanden.
Waar en wanneer kijken
Zoek op zoet en brak binnenwater, niet op zee: bezinkvelden, inlagen, natte kavels en kleiputten in juli tot september zijn de beste kansen. Scan de slikranden en niet alleen het water, want de vogel loopt vaak tussen bontbekplevieren en groenpootruiters door zonder op te vallen. Een winterkleedvogel verraadt zich door zijn bleekheid: een effen lichtgrijze steltloper zonder streping, met een lange dunne zwarte snavel en gele poten, is in Europa niets anders. Zie je hem opvliegen, kijk dan naar de vleugel: het ontbreken van een witte vleugelstreep sluit de andere twee franjepoten meteen uit.
Staat van instandhouding
Least Concern. De wereldpopulatie ligt in de orde van anderhalf miljoen vogels, maar de tellingen wijzen op een afname en de soort is kwetsbaarder dan dat getal doet vermoeden. Dat komt door de concentratie op enkele ruiplekken: honderdduizenden vogels verzamelen zich in de nazomer op een paar grote zoutmeren in het westen van Noord-Amerika, zoals Mono Lake en het Great Salt Lake, waar wateronttrekking het waterpeil doet zakken en het zoutgehalte zo laat oplopen dat de pekelkreeftjes en vliegen waarvan de vogels leven het niet houden. Op de broedgronden speelt het verlies van prairiemoerassen door ontwatering, en in de Andes de winning uit de zoutvlaktes.




