Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Renvogel
Renvogel
Cursorius cursor | Cream-colored courser | Corredor sahariano
De enige Europese vogel die eruitziet alsof hij op het zand geschilderd is: zandkleurig van kop tot staart, met een blauwgrijze nek en een zwart-witte kopstreping die achter in de nek in een punt samenkomt. Hij vliegt zelden en rent liever, in korte spurts met de kop laag.
Geluid
Meestal een stille vogel. Bij verstoring klinkt een kort, scherp gefloten kwit-kwit, in de vlucht soms herhaald. Baltsende vogels geven een nasaal whaur en een rauw, kikkerachtig praak-praak dat over kale vlaktes ver draagt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Het hele lichaam is warm zandkleurig, iets bleker op de buik, met een grijsblauwe achterkruin en nek. Vanaf het oog loopt een zwarte streep naar achteren, met daarboven een witte wenkbrauwstreep; beide zetten zich voort tot ze in de nek in een scherpe V samenkomen. De snavel is zwart en licht gebogen, de poten zijn lang en vuilwit. Zittend valt er niets zwarts te zien, maar zodra de vogel opvliegt zijn de handpennen en de hele ondervleugel gitzwart, wat een verrassend contrast geeft.
Verwarringssoorten
Op afstand doet hij aan een plevier denken, maar geen enkele plevier heeft die combinatie van lange bleke poten, gebogen zwarte snavel en de zwart-witte kopstreping die in de nek samenkomt. De morinelplevier heeft ook wenkbrauwstrepen die in een V eindigen, maar is korter van poot, heeft een witte borstband en houdt zich gedrukt; de renvogel staat juist heel rechtop en rent met de kop laag, blijft dan abrupt stilstaan en verstart. De griel is een maat groter en zwaarder, heeft een enorm geel oog, zwart-witte vleugelbanden en een gebogen, sluipende gang; hij is bovendien vooral in de schemering actief, terwijl de renvogel juist midden op de dag rondrent.
Leefgebied
Halfwoestijn en kale steppe: vlakke, schaars begroeide bodems van zand, grind of steen met hooguit verspreide dwergstruiken. Op de oostelijke Canarische Eilanden zijn dat de jables, de door de wind aangevoerde zandvlaktes, en de aangrenzende lavavlaktes en malpaís. Hij mijdt zowel gesloten struweel als geïrrigeerd land en foerageert lopend, met een korte ren en een pikbeweging naar kevers, mieren en larven.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De soort broedt van de Canarische Eilanden en de Sahara oostwaarts door Arabië tot West-Pakistan en Noordwest-India. Binnen Europa broedt hij uitsluitend op Fuerteventura en Lanzarote, met een handvol vogels op La Graciosa; sinds het begin van deze eeuw zijn er ook broedgevallen in Almería op het Spaanse vasteland. Noordelijker is het een echte uitzondering: Groot-Brittannië en Ierland kennen bijna twee eeuwen aan gevallen, maar die worden zeldzamer.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Wie de soort wil zien, boekt een vlucht naar Fuerteventura en rijdt in de vroege ochtend de vlaktes rond Tindaya en de Llanos de la Concepción af, of het jable tussen La Oliva en Lajares. Zoek vanuit de auto en met de zon in de rug: op honderd meter is de vogel bijna onzichtbaar tot hij beweegt, en het is meestal de beweging die je ziet en niet de vogel. Op Lanzarote is de vlakte bij Sóo, aan de rand van El Jable, het klassieke adres.
Staat van instandhouding
Wereldwijd is de soort niet bedreigd, maar de Canarische populatie is klein en telde bij de eerste landelijke telling in 2005 en 2006 rond de tweeduizend vogels, waarvan ruim vier vijfde op Fuerteventura. De knelpunten zijn plaatselijk: bebouwing en toeristische infrastructuur op de vlaktes, offroadverkeer over de jables, en verstoring door loslopende honden in de broedtijd. Spanje rekent de soort tot de bedreigde soorten van zijn nationale catalogus.


