Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Scharrelaar
Scharrelaar | Coracias garrulus
European roller | Carraca europea
Een forse, kraaiachtige vogel in turkoois en kaneelbruin, die lang onbeweeglijk op een draad of dode tak zit en dan met een korte duik een kever van de grond pakt. Pas als hij opvliegt blijkt hoe blauw hij is, met zwartblauwe vleugelpunten die in de zon donker opflitsen.
Geluid
Een hard, kraaiend rak-rak of krèk-krèk, gaaiachtig maar dieper en droger, meestal vanaf een paal of in de vlucht. In de baltsvlucht klinkt een versnelde, ratelende reeks terwijl de vogel schuin omlaag duikt en van links naar rechts zwenkt — de beweging waaraan de Nederlandse naam is ontleend.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer zo groot als een kauw, met een zware kop, een rechte zwarte snavel met licht gehaakte punt en brede, tamelijk lange vleugels. Kop, hals en onderdelen zijn turkoois tot hemelsblauw, de rug is warm kaneelbruin, de stuit paarsblauw en de handpennen zwartblauw, wat in vlucht een scherp contrast geeft. De vlucht is zwaar en klepperend, met stevige slagen; jonge vogels zijn doffer, grijzer en bruiner en missen het felle blauw.
Verwarringssoorten
Beginners melden een scharrelaar vaker naar aanleiding van een gaai of een duif in vlucht dan naar aanleiding van een bijeneter. De gaai is bruinroze met een witte stuit, een zwarte staart en ronde vleugels met een klein blauw geblokt veldje, en vliegt onregelmatig fladderend; een overvliegende duif heeft een kleine kop, een spitse vleugel en een egaal grijze indruk. De scharrelaar is in vergelijking blauw met een bruine rug en zwartblauwe vleugelpunten, en zit veel langer stil op een uitkijkpost. De bijeneter, die in vlucht op afstand ook blauwig lijkt, is veel slanker, met een gebogen snavel en spitse staartpennen.
Leefgebied
Warm, open en halfopen land met uitkijkposten: dehesa's en boomweiden, steppes en droge graslanden, extensief akkerland, boomrijen en houtwallen langs velden en de randen van licht bos. Foerageert door van een tak, paal of draad omlaag te duiken op grote kevers, sprinkhanen en hagedissen op kale of kortbegroeide grond; oude holle bomen in of naast dat land leveren de nestholte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuid- en Oost-Europa, Noordwest-Afrika, Turkije en het Midden-Oosten, oostwaarts tot Zuidwest-Siberië; de sterkste bolwerken liggen in Iberië, de Balkan, Hongarije en de Baltische staten. Uit Denemarken, Duitsland en Zweden is hij als broedvogel verdwenen. In Nederland een dwaalgast met ongeveer vijfenzeventig gevallen, de meeste in mei en juni. Overwintert in de savannes van zuidelijk Afrika.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in Zuid- en Oost-Europa van mei tot juli langs rustige landwegen met telefoondraden en losse oude bomen, vroeg in de ochtend of tegen de avond, wanneer de vogels laag op uitkijkposten zitten. Rijd langzaam en scan draden en paaltjes: een scharrelaar valt op door zijn zware, gedrongen zit, niet door zijn kleur, want tegen de lucht lijkt hij donker.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd — de soort stond in 2005 als gevoelig (Near Threatened) op de Rode Lijst en is in 2015 teruggezet naar Least Concern — maar in Europa is hij uit grote delen van het noorden en midden verdwenen. Bepalend zijn het verdwijnen van oude holle bomen, insecticiden die grote kevers en sprinkhanen wegvagen, ruilverkaveling en jacht op de trekroutes. Nestkasten in combinatie met extensief beheerd grasland en akkerland leveren aantoonbaar resultaat.



