Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Sperwergrasmus
Sperwergrasmus
Curruca nisoria | Barred warbler | Curruca gavilana
De sperwergrasmus is de zwaargewicht onder de grasmussen: een forse, dikgenekte zanger met een starende gele iris en een onderkant die bij de oude vogel van boven tot onder gesperd is als bij een sperwer. In Nederland is hij een zeldzame najaarsgast, en dan bijna altijd een grauwe eerstejaars.
Geluid
De zang lijkt op die van een tuinfluiter, maar dan luider, dieper en hakkeriger: een snel, vol, borrelend gekwetter dat telkens onderbroken wordt door harde, krassende tonen en abrupt stopt, om na een paar seconden opnieuw te beginnen. Vaak wordt hij in een korte zangvlucht afgeleverd, waarbij de vogel met trage, overdreven vleugelslagen boven het struweel uit klimt en zich zingend weer laat vallen. Dat gebeurt in mei en juni in de broedgebieden in Midden- en Oost-Europa, van vroeg in de ochtend tot ver in de voormiddag. Bij ons hoor je vrijwel alleen de roep, en die is het bruikbaarst: een hard, ratelend tsjerr-r-r-r, dieper en trager dan het geratel van een braamsluiper, en daarnaast een kort, scherp tsjek dat aan twee tikkende stenen doet denken. Een najaarsvogel in een duindoornstruweel verraadt zich meestal met dat ratelende alarm voordat je hem ziet.
Opname: Natura Saxonia — CC0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot en zwaar, met een dikke nek, een stevige snavel en een lange staart met witte punten aan de buitenste pennen. De volwassen vogel is asgrijs boven en heeft over de hele onderzijde fijne, halvemaanvormige dwarsbanden op een witte grond, met een felle citroengele iris die de vogel een strenge blik geeft; verder twee smalle witte vleugelstrepen en witte randen aan de tertials. De eerstejaars vogels die hier opduiken zien er heel anders uit: grauw grijsbruin, met een donkere iris en zonder of bijna zonder bandering, behalve enkele halve maantjes op de flanken en donkere punten op de onderstaartdekveren. Die witte tertialranden, de dubbele vleugelstreep, de forse bouw en de lange handpenprojectie blijven op elke leeftijd zichtbaar en zijn dan de sleutel.
Verwarringssoorten
Een uitzonderlijk grote braamsluiper is de klassieke valkuil, en daar staan vier dingen tegenover: de sperwergrasmus heeft een zware, brede snavel, twee witte vleugelstrepen met witte tertialranden, een veel langere handpenprojectie en een bleke of gele iris, terwijl de braamsluiper een fijn snaveltje, een egale vleugel zonder wit, een korte vleugelpunt en een donker oog heeft; bovendien is bij de braamsluiper het donkere oormasker prominent. Een jonge grasmus is de tweede valstrik, maar die is veel lichter gebouwd, heeft een breed roestbruin vleugelpaneel en lichte, strokleurige poten, terwijl de sperwergrasmus grauw is en loodgrijze, opvallend zware poten heeft. De tuinfluiter is even egaal maar rondkoppig, klein van snavel en zonder wit in vleugel of staart.
Leefgebied
In het broedgebied warm, zonnig en doornig halfopen landschap: verruigde weiden met sleedoorn- en meidoornbosjes, rivierdalen met struweel, bosranden, oude boomgaarden en houtwallen — hetzelfde landschap als de grauwe klauwier, waarmee hij vaak in hetzelfde struweel broedt. Op doortrek in Noordwest-Europa zit hij vrijwel altijd in duindoornstruweel, bramen en vlierbosjes vlak achter de zeereep, waar hij zich aan bessen tegoed doet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Noord-Duitsland, Denemarken en Zuid-Zweden oostwaarts door Polen, de Balkan en Oekraïne tot in Centraal-Azië, en overwintert in Oost-Afrika. De westgrens van het areaal is de laatste halve eeuw duidelijk oostwaarts teruggetrokken. In Nederland is de sperwergrasmus een zeldzame doortrekker: enkele tot enkele tientallen vogels per najaar, bijna allemaal eerstejaars, en vrijwel uitsluitend op de Waddeneilanden, in de kustduinen en op de Maasvlakte, tussen half augustus en begin oktober. In Spanje is hij een echte dwaalgast met slechts een handvol waarnemingen.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind augustus en begin september, in de duindoornstruwelen van Vlieland, Texel of Schiermonnikoog, wanneer de bessen rijp zijn en het struweel vol trekvogels zit. Loop langs de rand van een groot struweelblok en luister naar een laag, ratelend alarm; zoek dan naar een opvallend grote, zwaar gebouwde, grauwe grasmus die zich met horten en stoten door de takken werkt. Kijk als eerste naar de vleugel: witte tertialranden en twee vleugelstrepen zijn bij geen enkele braamsluiper of grasmus te vinden. Een bleek oog bevestigt het, maar bij eerstejaars is het oog vaak nog donker.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het oosten van het areaal nog talrijk, maar aan de westrand duidelijk in de min: in Duitsland en Denemarken is de soort sterk afgenomen en lokaal verdwenen. Het verlies van extensief beheerde, doornige weidegebieden, de ontwatering van rivierdalen en het opruimen of juist dichtgroeien van struweel zijn de belangrijkste oorzaken. Ook de omstandigheden op de lange oostelijke trekroute en in de Oost-Afrikaanse overwinteringsgebieden spelen mee.



