Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Vorkstaartmeeuw
Vorkstaartmeeuw
Xema sabini | Sabine's gull | Gaviota de Sabine
Een kleine, sternachtige meeuw van de open oceaan, die alleen bij aanhoudende noordwestenwind binnen bereik van de kust komt. Het zwart-wit-grijze drieluik op de bovenvleugel is op afstand al herkenbaar, ook door een telescoop vol nevel en regen.
Geluid
Meestal zwijgzaam op zee. Bij de kolonie en in groepjes een schor, sternachtig ki-k-k-krie, hoger en raspender dan het geluid van een drieteenmeeuw. Bij ons is het geluid vrijwel nooit aan de orde: de vogels passeren op afstand en tegen de wind in.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
In zomerkleed een leigrijze kap die onderaan door een zwart randje wordt afgesloten, en een zwarte snavel met een gele punt. Rug en voorvleugel zijn grijs, de buitenste handpennen zwart, de binnenste handpennen en armpennen wit: van boven vormen die drie kleuren drie scherp begrensde driehoeken. De staart is wit en duidelijk gevorkt. De meeste vogels die bij ons langs komen zijn jonge vogels, met hetzelfde vleugelpatroon maar met bruin geschubde rug en dekveren, een zwarte eindband op de staart en een grijsbruine boa die van de kruin naar de zijhals valt.
Verwarringssoorten
De vergelijking is met de jonge drieteenmeeuw, die in dezelfde stormdagen langskomt. Beide vogels zijn klein, snel en scherp getekend, maar de tekening klopt niet: de drieteenmeeuw draagt een zwarte W over de gestrekte vleugels en een zwarte band in de nek, terwijl de vorkstaartmeeuw drie gladde driehoeken laat zien, zwart buiten, wit in het midden en grijs op de voorvleugel, zonder nekband. Zie je de staart, dan is de zaak rond: bij de vorkstaartmeeuw is die gevorkt, bij de jonge drieteenmeeuw hooguit licht ingesneden en met een zwarte eindband tot in de hoeken.
Leefgebied
Buiten de broedtijd een echte zeevogel, die de open oceaan boven opwellingsgebieden opzoekt en alleen bij zware storm binnen zicht van de kust raakt. Broedt op laaggelegen, natte hoogarctische toendra met veel plassen en poelen, vaak in kleine losse kolonies tussen noordse sterns, waar hij insecten, larven en kleine visjes van het wateroppervlak pikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in het hoge noorden van Canada, Alaska, Groenland, Spitsbergen en Siberië; in Europa is Spitsbergen het dichtstbijzijnde broedgebied. De vogels die bij ons langstrekken komen uit Oost-Canada en Groenland en gebruiken de Golf van Biskaje als tussenstop op weg naar de wateren voor Namibië en Zuid-Afrika. In Nederland gaat het om enkele tot enkele tientallen per najaar, in Spanje vooral om waarnemingen voor de kust van Asturië en Galicië.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zeetrektellen is de enige methode. Ga in september of oktober bij windkracht zeven of meer uit het noordwesten naar Westkapelle, de Brouwersdam of Camperduin, ga uit de wind zitten en werk de branding en de tweede lijn af. Onthoud dat je vrijwel altijd een jonge vogel ziet, dus zoek naar het driehoekenpatroon en niet naar de grijze kap.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in aantal eerder toe- dan afnemend. In het Russische deel van het broedgebied hebben de vogels te lijden onder jacht en het rapen van eieren. Op de langere termijn is klimaatverandering het grootste vraagteken, zowel voor de natte toendra waar de soort broedt als voor de opwellingsgebieden waar hij overwintert. De toename van het aantal Nederlandse waarnemingen zegt vooral iets over het aantal tellers.


