Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Ivoormeeuw
Ivoormeeuw
Pagophila eburnea | Ivory gull | Gaviota marfileña
Een spierwitte meeuw op korte zwarte pootjes, thuis op pakijs en drijfijs. De ivoormeeuw is de enige meeuw van Europa die op elke leeftijd zonder grijze mantel door het leven gaat, en de enige die haar hele bestaan binnen het bereik van het zee-ijs houdt.
Geluid
Schril en sternachtig, heel anders dan het geblaf van de grote meeuwen: een hard, doordringend kriiii en een ratelend, knarsend gekrijs bij ruzie om aas. Overwinterende dwaalgasten in Europa zijn zwijgzaam. In de kolonie is het geluid vrijwel continu, met veel korte alarmroepen boven de rots.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Adulte vogels zijn geheel wit, zonder grijs in mantel of vleugel, met korte zwarte poten, een blauwgrijze snavel met een gele tot oranje punt en een klein donker oog met een rode oogring. De bouw is gedrongen: dikkig lijf, korte hals, klein kopje en lange, spitse vleugels. Eerstejaars vogels hebben een grauwe, vuilgrijze gezichtsmasker, zwarte spikkels over de vleugeldekveren en een rij zwarte punten langs de staartrand.
Verwarringssoorten
Op afstand boven zee is de eerste gedachte vaak een witte duif of een gebleekte meeuw, en beide zijn goed uit te sluiten. Van een witte stads- of postduif verschilt de ivoormeeuw door de korte zwarte poten, waar een duif rozerode poten heeft, en door de blauwgrijze snavel met gele punt tegenover het lichte, gedrongen snaveltje met neusdop van een duif. De vlucht bedriegt wel degelijk: de ivoormeeuw slaat kort en stijf en glijdt laag over het ijs met een duifachtige indruk, maar de vleugels zijn langer en spitser en de vogel draait met veel meer gemak van koers, met een zichtbaar meeuwenkopje en een korte, iets wigvormige staart. Op de grond loopt ze bovendien met kwieke, duifachtige pasjes, wat de verwarring in stand houdt. Van een gebleekte of leucistische meeuw scheidt haar het zwart aan de poten, want zilvermeeuw, burgemeester en drieteenmeeuw hebben roze, gele of zwarte poten in andere combinaties en nooit dit korte, gitzwarte paar onder een geheel wit lijf. Kijk daarna naar de snavel: geen enkele bleke meeuw heeft die blauwgrijze schacht met een scherp begrensde gele punt en zonder rode gonysvlek. Een gebleekte zilvermeeuw houdt ten slotte donkere schachten in versleten handpennen en een grijze zweem op de mantel, terwijl de ivoormeeuw ook in versleten kleed zuiver wit blijft; een jonge ivoormeeuw is juist onmiskenbaar door de zwarte spikkels op de dekveren en de zwarte staartrand.
Leefgebied
Pakijs en drijfijs zijn haar element; ze foerageert langs scheuren en wakken, bij de ijsrand en achter ijsberen, en pikt daar resten van zeehonden op. Broedkolonies liggen op steile kliffen, op nunataks midden in het landijs en op kale grindruggen van het hoge noorden, meestal binnen bereik van open water. Buiten die zone is de soort zelden op haar plaats en de dwaalgasten in Europa zijn dan ook meestal verzwakte vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Spitsbergen, Frans Jozefland, Severnaja Zemlja, Noordoost-Groenland en de Canadese Arctis. De winter brengt ze door langs de ijsrand van de Barentszzee, de Straat Davis en de Beringzee. In Noordwest-Europa is het een uitzonderlijke dwaalgast: Nederland kent enkele tientallen gevallen sinds 1900, vrijwel altijd in de tweede helft van de winter en vaak na aanhoudende noordelijke wind.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Deze soort zoek je niet, je gaat erop af. Houd de alarmlijnen in de gaten tussen half december en maart en reken op één dag: een verzwakte ivoormeeuw blijft soms een week op een strand of in een haven hangen, maar even vaak is ze de volgende ochtend weg. Kijk ter plaatse eerst naar de poten en de snavel, want beide zijn ook op een matige foto beslissend.
Staat van instandhouding
Gevoelig, met een dalende wereldpopulatie. Het krimpende zee-ijs neemt de soort haar foerageerplatform af; daarnaast draagt ze de hoogste kwikwaarden van alle arctische zeevogels, wat de eischalen en het broedsucces raakt. In de Canadese Arctis zijn de aantallen sinds de jaren tachtig sterk teruggelopen, en verstoring van kolonies en bejaging in Groenland komen daar bovenop.


