Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Wespendief
Wespendief
Pernis apivorus | European honey-buzzard | Abejero europeo
De wespendief is de laatste zomergast die binnenkomt en de eerste die weer vertrekt: half mei tot eind augustus, en de rest van het jaar in Afrika. Hij graaft wespennesten uit met zijn poten en is met zijn schubbige kopveren en zijn buizerdachtige uiterlijk een van de best vermomde roofvogels van Europa.
Geluid
Buiten het territorium zwijgt hij vrijwel altijd; op trek hoor je hem nooit. Boven het broedbos een helder, tweelettergrepig, wat klaaglijk fluitje pie-luu of pie-èè, hoger, korter en zuiverder dan het slepende miauw van de buizerd, meestal in mei en juni tijdens de baltsvlucht. Die baltsvlucht is trouwens het beste kenmerk van de soort: hoog boven het bos gaat de vogel omhoog, blijft hangen en klappert dan enkele keren snel met de vleugels boven de rug, alsof hij applaudisseert.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Op afstand een buizerd, van dichtbij niets ervan. Vier verschillen doen het werk. Ten eerste de kop: klein, smal en duifachtig, met een slanke hals die de kop ver vooruit laat steken — bij de buizerd zit de kop kort en breed tegen het lijf. Ten tweede de staart: lang en smal, met twee smalle donkere banden dicht bij de basis en één brede zwarte band aan het uiteinde, met daartussen een breed licht veld; de buizerd heeft een korte waaierstaart met veel smalle banden. Ten derde de vleugelhouding: in de zweefvlucht houdt de wespendief de vleugels vlak of licht hangend, met de handpennen naar beneden gebogen, terwijl de buizerd ze in een ondiepe V draagt. Ten vierde de vleugelvorm: langer, smaller en aan de basis ingesnoerd, met een uitgesproken bolling in de achterrand. Het verenkleed varieert enorm, van vrijwel wit tot vrijwel zwart, maar de handpennen dragen bijna altijd een brede zwarte punt en de ondervleugel heeft grove, ver uit elkaar staande dwarsbanden. Het oog van de adulte vogel is helder geel, de kop van het mannetje leiblauwgrijs.
Verwarringssoorten
De buizerd is dé vergelijking, en de vier kenmerken hierboven — kleine vooruitstekende kop, lange staart met twee smalle en één brede band, vlakke of hangende vleugels, ingesnoerde vleugelbasis — werken samen betrouwbaarder dan elk afzonderlijk. Let ook op de vleugelslag: de wespendief slaat dieper, soepeler en losser, bijna kraaiachtig, waar de buizerd stijver en ondieper klapt. Een jonge wespendief lijkt het meest op een buizerd, met een donkere snavelbasis, een donker oog en een minder duidelijke staartbandering; kijk dan vooral naar de kopvorm en de vleugelbasis. Een lichte wespendief kan van onderen ook aan een visarend doen denken, maar die heeft een veel witter lijf, een knikvleugel en een donkere polsvlek. Ten slotte kan een donkere wespendief op een zwarte wouw lijken; die heeft echter een gevorkte staart en een veel onrustiger, wiegender vlucht.
Leefgebied
Uitgestrekt, gevarieerd oud bos met open plekken, kapvlaktes, brede paden en aangrenzende heide of grasland: precies de plekken waar wespennesten in de grond zitten. Broedt in loof- of naaldbos, vaak in een oud nest van een andere roofvogel of kraai. Foerageert grotendeels lopend of gravend op de grond, waar hij met de poten larven van wespen en hommels uit het nest schept; daarnaast eet hij kikkers, jonge vogels en fruit.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van vrijwel heel gematigd Europa, van Spanje tot ver in Rusland; overwintert in de tropische bossen van West- en Centraal-Afrika. In Nederland een verspreide broedvogel van de bosrijke zandgronden — Veluwe, Drenthe, Utrechtse Heuvelrug, Brabant en Limburg — met enkele honderden paren. In Spanje broedt hij in de bossen van het noorden, van Galicië tot de Pyreneeën, en trekt hij in enorme aantallen over de Straat van Gibraltar; op de trekbanen bij Tarifa passeren in mei en september tienduizenden vogels.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Trek is het beste moment. Ga in de tweede en derde week van mei of tussen eind augustus en half september op een telpost of een open uitkijkpunt staan bij mooi weer met een zwakke oostenwind, en let op groepjes die op thermiek doorschuiven. Wil je een broedvogel zien, kies dan een warme, windstille ochtend in juni boven een groot bosgebied en wacht op de vleugelklappende baltsvlucht; dat is het enige moment waarop de soort zich echt laat zien. In Spanje is Tarifa in mei ongeëvenaard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar de Europese trend is licht negatief. In Nederland is de stand de laatste decennia gehalveerd; koelere, nattere zomers verminderen het aanbod van wespen, en daarnaast spelen versnippering van bosgebieden, verstoring en verliezen op de trekroute door jacht in Zuid-Europa en het Midden-Oosten een rol. Rust rond nestplaatsen en bosbeheer dat open plekken en kruidenrijke randen laat bestaan, helpen deze soort het meest.




