Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Amerikaanse bontbekplevier

Amerikaanse bontbekplevier | Charadrius semipalmatus

Semipalmated Plover | Chorlitejo semipalmado

De amerikaanse bontbekplevier is de Nieuwe-Wereldtegenhanger van de bontbekplevier: een kleine, bolle plevier met één donkere borstband, een korte stompe snavel met oranje basis en dofgele poten, met daarbij een opvallend gele oogring. Hij broedt in het noorden van Canada en Alaska en overwintert normaal langs de Amerikaanse kusten; wie hem hier ziet, kijkt naar een vogel die de halve Stille Oceaan verkeerd is overgestoken.

Amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus)
Foto: Chuck Homler d/b/a Focus On Wildlife — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een helder, scherp en duidelijk stijgend fluitje van twee lettergrepen, tsjoe-wiet of tsji-wie, dat korter en feller klinkt dan het weemoedige toe-lie van de bontbekplevier. Bij verstoring gaat het over in een snel herhaald tjip-tjip. Op de broedgronden zingt het mannetje in een fladderende baltsvlucht een aanhoudend, ratelend deuntje, maar dat is in dit deel van de wereld nooit te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, compacte plevier van achttien centimeter en een kleine vijftig gram, grijsbruin van boven en wit van onderen, met één donkere band over de borst die vaak wat smaller is dan bij de bontbekplevier. Het voorhoofd is wit, met daarboven een zwarte balk en een donker masker door het oog; boven het oog staat een klein wit wenkbrauwstreepje. De snavel is kort en stomp, in het broedkleed oranje met een zwarte punt en in winterkleed vrijwel geheel donker; de poten zijn dofgeel. Kenmerkend is de volledige, heldergele oogring, die van dichtbij opvalt. Zoals de naam zegt zitten er kleine zwemvliezen tussen alle drie de voortenen, maar dat is in het veld bijna nooit te zien.

Verwarrings­soorten

De bontbekplevier (Charadrius hiaticula) is de enige echte verwarring en het onderscheid is subtiel: die is iets groter en langer van snavel, heeft oranje in plaats van dofgele poten, een breder wit voorhoofd, een bredere zwarte borstband, geen duidelijke witte wenkbrauw en hooguit een onvolledige, donker oranje oogring. De roep beslist: stijgend en scherp bij deze soort, zacht en dalend bij de bontbekplevier. De roodkopplevier (Anarhynchus ruficapillus) en de strandplevier (Anarhynchus alexandrinus) hebben nooit een gesloten borstband en zijn bleker en langpotiger. De dubbelbandplevier (Anarhynchus bicinctus) is groter, langer van vleugel en heeft in elk kleed groengele poten. De kleine woestijnplevier (Anarhynchus mongolus) is forser, mist het witte voorhoofd-en-halsbandpatroon en heeft een langere, geheel zwarte snavel.

Leefgebied

Wadplaten, slikranden en zandbanken in estuaria en havens, waar hij tussen de gewone steltlopers foerageert. Verder zandstranden met aangespoeld wier, ondiepe kustlagunes en de modderoevers van afvalwaterterreinen en zoutpannen. Net als zijn Europese tegenhanger wil hij open, vlakke bodem met vrij zicht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een zeer zeldzame dwaalgast binnen het kaartvenster. Nieuw-Zeeland heeft vier aanvaarde gevallen: een vogel van 1983 tot 1985, een die van december 2009 tot oktober 2010 op meerdere plaatsen werd gezien, en een in juni en juli 2024 in Kaipara Harbour. Voor Australië gaat het eveneens om een handvol gevallen, waaronder het eerste voor Zuid-Australië in 2021, en er is ook een enkele waarneming van Norfolkeiland. De vogels blijven soms maanden op één hoogwatervluchtplaats hangen, zodat een geval doorgaans door veel waarnemers wordt nagekeken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet door te zoeken, maar door te luisteren: in een groep plevieren op een hoogwatervluchtplaats valt het stijgende tsjoe-wiet op tussen de doffe roepjes van roodkopplevieren. Werk daarna van dichtbij de oogring af — een volledige, heldergele ring rond het oog is bij geen enkele andere plevier hier zo opvallend. Kom terug: deze dwaalgasten blijven vaak wekenlang trouw aan dezelfde slikplaat en hetzelfde getijmoment.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot broedareaal over het noorden van Canada en Alaska en een populatie die op ruim een half miljoen vogels wordt geschat en stabiel of licht toenemend is. De soort profiteert ervan dat ze niet van één smalle keten pleisterplaatsen afhankelijk is zoals veel andere trekkende steltlopers. Voor Australië en Nieuw-Zeeland is ze te zeldzaam om een eigen beschermingsvraag te vormen.

Wetenschappelijke naam

Charadrius semipalmatus | Bonaparte, 1825

Bonaparte beschreef de soort in 1825 in het Journal of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia als Charadrius semipalmatus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. De typelocatie is de zeekust van New Jersey. Charadrius gaat terug op het Griekse kharadrios, een vogel van ravijnen. semipalmatus is Latijn voor 'half van zwemvliezen voorzien', uit semi, 'half', en palma, 'handpalm': de voortenen zijn aan de basis door kleine vliezen verbonden, en dat kenmerk zit zowel in de wetenschappelijke als in de Spaanse naam.