Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Atlantische geelneusalbatros
Atlantische geelneusalbatros | Thalassarche chlororhynchos
Atlantic Yellow-nosed Albatross | Albatros picofino atlántico
De Atlantische geelneusalbatros is een slanke, kleine mollymawk (albatros van het geslacht Thalassarche) uit de zuidelijke Atlantische Oceaan die in Australische en Nieuw-Zeelandse wateren alleen als dwaalgast opduikt. Hij heeft een grijze kop met een witte voorhoofdsvlek, een zwarte driehoek vóór het oog en een lange zwarte snavel met een dunne gele ruglijn die aan de punt kersrood wordt.
Geluid
Een dwaalgast op het zuidelijk halfrond zwijgt vrijwel altijd; hooguit klinkt een laag grommen als hij met andere zeevogels om visafval vecht. In de kolonies op Tristan da Cunha en Gough bestaat de balts uit schor gekreun, hoge klagende tonen en snavelgeklepper tussen de partners. Dat geluid hoort men binnen het gebied van deze gids niet, want hij broedt hier niet.
Opname: Guilherme Melo — CC BY-NC-SA 4.0 · Penha - 12 - 20 km da costa, Brazil · xeno-canto
Herkenning
Zo'n vijfenzeventig centimeter en twee tot bijna drie kilo, waarmee hij samen met de Indische geelneusalbatros de kleinste albatros is; de vleugels zijn opvallend smal en de vlucht is licht en golvend. Kop en nek zijn lichtgrijs met een wit voorhoofd, een scherpe driehoekige zwarte vlek vóór het oog en een smal wit boogje erachter. De snavel is lang, slank en zwart met een dunne gele ribbel over de bovenrug die naar de haak toe kersroze verkleurt; de gele streep is aan de basis breed en rond afgesloten. Mantel, bovenvleugel en staart zijn grijszwart, de onderdelen wit, en de ondervleugel is wit met een smalle zwarte rand. Jonge vogels hebben een witte kop en een geheel zwarte snavel.
Verwarringssoorten
De Indische geelneusalbatros (Thalassarche carteri) is de soort waarmee hij in dit gebied bijna altijd verward wordt, en de twee zijn even groot en even slank. Kijk naar de kop: hier lichtgrijs met een grote donkere driehoek vóór het oog, bij de Indische overwegend wit met hooguit een klein donker driehoekje. Kijk daarna naar de basis van de gele snavelstreep: breed en rond afgesloten bij deze soort, spits toelopend bij de Indische. Wees eerlijk over de grens van dit onderscheid — op een langsvliegende vogel, in tegenlicht of bij een jonge vogel met een geheel zwarte snavel, blijft een geelneusalbatros in deze wateren vaak onbenoembaar. De Buller-albatros (T. bulleri) heeft geel boven én onder op de snavel en een witte voorhoofdskap op een donkergrijs gezicht; de grijskopalbatros (T. chrysostoma) heeft een egaal donkergrijze kop, geel boven en onder en een brede zwarte voorrand op de ondervleugel. De wenkbrauwalbatros (T. melanophris) is forser met een oranjegele snavel, en de witkapalbatros (T. cauta), Salvins albatros (T. salvini) en chathamalbatros (T. eremita) zijn alle veel groter. De grote albatrossen (Diomedea exulans, D. epomophora) en de roetalbatrossen (Phoebetria palpebrata, P. fusca) zijn niet in het geding.
Leefgebied
Open oceaan van subtropisch tot koel gematigd water, ver van land, waar hij vis, inktvis en schaaldieren van het oppervlak pikt en op afval achter vissersschepen afkomt. Ondiep kustwater en branding mijdt hij; alleen verzwakte of door storm verdreven vogels komen dicht onder de kust. Zijn kolonies liggen op steile, met varens en tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) begroeide hellingen van eilanden in de Atlantische Oceaan — buiten dit gidsvenster.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Hij broedt uitsluitend op Gough en op de eilanden van de Tristan da Cunha-groep — Nightingale, Inaccessible, Middle en Stoltenhoff — en hoort thuis in de Zuid-Atlantische Oceaan. In Australische wateren is hij een dwaalgast met zo'n vijfentwintig aanvaarde gevallen, vrijwel alle in het zuidoosten en zuidwesten bij pelagische tochten. Voor Nieuw-Zeeland gaat het om ongeveer zeven gevallen: de eerste drie bij Little Sister in de Chathams (1975, 1976 en 1996), daarna bij Kaikoura in 2016, bij de Forty-Fours in 2016 en 2022 en bij de Snares in 2019. Hij broedt binnen dit gebied niet en er is geen plek waar hij met enige regelmaat te verwachten is.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op: dit is een vogel die je op een gewone winterpelagic uit Wollongong, Port Fairy of Kaikoura toevallig tussen de andere mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) vindt. Neem daarom elke slanke, smalvleugelige albatros met een zwarte snavel serieus en bekijk de kop op grijs en de zone vóór het oog op een duidelijke donkere driehoek. Maak hoe dan ook foto's van kop en snavelbasis, want zonder beeldmateriaal wordt zo'n melding door een zeldzaamhedencommissie zelden aanvaard.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN), met een wereldstand van ruwweg vijfenvijftigduizend tot ruim tachtigduizend volwassen vogels op een handvol eilanden en een berekende afname van rond de vijftig procent over tweeënzeventig jaar. Bijvangst in de beugvisserij is de zwaarste doodsoorzaak op zee. Op Gough, de grootste kolonie, vallen jongen ten prooi aan ingevoerde huismuizen die de nesten aanvallen, en op Nightingale en Inaccessible loopt het aantal broedparen terug. Voor Australië en Nieuw-Zeeland heeft dat geen directe gevolgen, maar het verklaart waarom de kans op een dwaalgast eerder kleiner dan groter wordt.
Wetenschappelijke naam
Thalassarche chlororhynchos | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Diomedea chlororhynchos, op basis van het werk van Latham uit 1785, met als typelocatie de zee voor Kaap de Goede Hoop; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat ze naar Thalassarche is verhuisd. Het epitheton komt van het Grieks khloros ('geelgroen') en rhunkhos ('snavel'), naar de gele streep op de snavelrug. Tot het eind van de twintigste eeuw gold hij samen met de Indische geelneusalbatros (T. carteri) als één soort onder de naam geelneusalbatros.

