Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Australisch waterhoen
Australisch waterhoen | Tribonyx ventralis
Black-tailed Nativehen | Gallineta patirroja
Het Australisch waterhoen is een donkere, kwieke ral van het droge binnenland die eerder rent dan zwemt: olijfbruin van boven, leigrijs van onder, met witte streepvlekken op de flanken, koraalroze poten en een smalle zwarte staart die rechtop staat en voortdurend wipt. Na grote regens verschijnt hij ineens met duizenden tegelijk op vlaktes waar jarenlang geen enkele zat.
Geluid
Een zwijgzame vogel: etend en lopend is hij vrijwel geluidloos. De alarmroep is een korte, scherpe kak, en bij onraad in de groep klinkt een snel, hard, metalig jap-jap-jap-jap dat door de hele troep wordt overgenomen. Een echte zang heeft hij niet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een stevige ral van dertig tot achtendertig centimeter en ongeveer vierhonderd gram, met een rechtopstaande houding als van een kip. De bovendelen zijn olijfbruin, de onderdelen leigrijs, en op de flanken staan langgerekte witte streepvlekken die bij fel licht opvallen. De smalle staart is zwart en wordt rechtop gedragen en telkens geflikkerd. Snavel en voorhoofdschild zijn lichtgroen met een oranjerode ondersnavel, de poten fel koraalroze en het oog helder geel. Jonge vogels zijn valer, met doffere poten en een bruin oog.
Verwarringssoorten
Het tasmaans waterhoen (Tribonyx mortierii) is groter en zwaarder, heeft grijsgroene in plaats van koraalroze poten en kan niet vliegen; het komt uitsluitend op Tasmanië voor, waar het Australisch waterhoen alleen als dwaalgast opduikt — de verspreiding beslist hier vrijwel altijd. Het zwart waterhoen (Gallinula tenebrosa) is donkerder, veel meer op het water te vinden, en heeft een rood voorhoofdschild met een geel snavelpuntje en een witte onderstaart. De meerkoet (Fulica atra) is zwart met een wit schild en zwemt vrijwel altijd.
Leefgebied
Tijdelijke en permanente wetlands in gebieden met weinig regen, zoet of brak: lignumzwampen, claypans, efemere meren, dammen en de oevers van kreken. Hij broedt in dichte pollen gras, lignum of biezen vlak bij water, maar foerageert op open grond ver van de oever — op kale vlaktes, saltbush- en bluebushvelden en op beweid grasland. Rennend en dan plots stilstaand jaagt hij insecten op.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijdverbreid over het Australische vasteland, met vaste bolwerken rond betrouwbaar water in het Murray-Darlingbekken, het Cooper Creek-stelsel en langs de kust van West-Australië. Op Tasmanië is hij dwaalgast. In Nieuw-Zeeland is hij minstens negen keer vastgesteld, de laatste keer in november 2024 in de Eglinton Valley in Fiordland. In tussenliggende jaren kan hij uit grote delen van zijn areaal volledig verdwijnen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet in het riet maar op de open vlakte ernaast: bij droogte staat hij in kleine groepjes rond de laatste dam of het laatste waterhol, en in de jaren na zware regen loopt hij met honderden of duizenden over de woestijnvlakte. Rijd in de binnenlanden langs stuwdammen en overstromingsvlaktes en let op de zwarte, rechtopstaande staart — die verraadt hem al vanuit de auto.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een areaal van miljoenen vierkante kilometers en een leefwijze die hem tegen droogte beschermt: hij broedt explosief zodra het regent en verplaatst zich over duizenden kilometers naar waar het water staat. Grote uitbarstingen vonden plaats in 2010–2012 en in 2017. Waar boeren in de aantallen een plaag zien, kunnen lokaal bestrijdingsacties volgen, maar op soortniveau weegt dat niet op tegen het vermogen van de vogel om na elke regenbui opnieuw te beginnen.
Wetenschappelijke naam
Tribonyx ventralis | (Gould, 1837)
Gould beschreef de soort in 1837 als Gallinula ventralis; omdat ze later naar Tribonyx is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Tribonyx is gevormd uit Grieks tribō, 'afslijten', en onyx, 'nagel', naar de afgesleten klauwen van deze lopende rallen. ventralis betekent 'van de buik', naar het leigrijze onderlijf. De typelocatie is de Swan River in West-Australië.




