Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Australische roerdomp
Australische roerdomp | Botaurus poiciloptilus
Australasian Bittern | Avetoro australiano
De Australische roerdomp is een kwetsbare moerasreiger die vrijwel nooit wordt gezien en bijna uitsluitend wordt gehoord: het mannetje dreunt bij donker vanuit het riet, en dat geluid is tegelijk het enige middel om de soort te tellen. In Nieuw-Zeeland geldt hij als een van de meest bedreigde vogels van het land.
Geluid
Het mannetje maakt in het broedseizoen een diep boemend geluid vanuit dichte begroeiing, een reeks van één tot tien stoten — gemiddeld drie — met vaste tussenpozen: woem ... woem ... woem, elke stoot laag genoeg om meer door de borst dan door het oor te worden opgevangen. Hij roept vooral in de schemering en 's nachts, van het late voorjaar tot midden in de zomer, dus van september tot januari, en op een windstille avond draagt het over een heel moeras. Het vrouwtje is grotendeels stil, maar geeft bij het terugkomen op het nest een borrelend geluid en bij alarm een nasaal kau. Opvliegende vogels laten een schallend kau kau horen, en dat is vaak het enige dat een waarnemer ooit van de soort meekrijgt. Omdat de dreunende mannetjes de enige bruikbare eenheid zijn, wordt de stand van de soort in aantallen roepende mannetjes uitgedrukt en niet in vogels.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse, gedrongen reiger van vierenzeventig centimeter met een dikke hals, een zware geelachtige snavel en betrekkelijk korte gele poten. Het kleed is beige met donkerbruine strepen en marmering, de kop overwegend donker met een lichte streep boven het oog, en de hele tekening lost in dood riet volledig op. Het mannetje is met ongeveer veertienhonderd gram beduidend zwaarder dan het vrouwtje, dat rond de negenhonderd gram blijft. Jonge vogels hebben lichtgevlekte handpennen en een gele iris; pas rond het derde jaar zijn de handpennen donkerbruin en is de iris koperrood. Bij gevaar strekt hij hals en snavel recht omhoog en blijft roerloos staan, waarna hij tussen de rietstengels niet meer terug te vinden is.
Verwarringssoorten
De rosse kwak (Nycticorax caledonicus) is de vaakst gemaakte fout: die is kaneelbruin en effen op de bovendelen, wit tot roomkleurig op de onderdelen en heeft een rood oog, maar zijn jonge vogel is gestreept en lijkt in slecht licht sterk op een roerdomp. De zwartrugwoudaap (Botaurus dubius) is nog geen half zo groot en heeft een veel lichtere, contrastrijkere vleugel. Een laag over het riet vliegende roerdomp met bungelende poten en trage slag wordt ook wel voor een jonge nachtreiger of zelfs voor een bruine kiekendief aangezien; de zware snavel en de korte, dikke hals sluiten die uit.
Leefgebied
Dichte zoetwatermoerassen met een blijvende waterstand: rietvelden, biezen en raupo langs meren, brongevoede kreken, zeggemoeras en hoogveen met open geultjes ertussen. In de Riverina van Nieuw-Zuid-Wales gebruikt hij ook rijstvelden, die tegenwoordig een aanzienlijk deel van de Australische broedvogels herbergen. Randen van ruw, verwaarloosd weiland en moerasbos worden erbij genomen, maar open oevers, snel stromend water en droogvallende plassen niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië het uiterste zuidwesten van West-Australië en een brede strook van zuidoostelijk Queensland tot zuidoostelijk Zuid-Australië, Tasmanië inbegrepen; op Nieuw-Caledonië is hij zeldzaam. In Nieuw-Zeeland komt hij verspreid voor op het Noordereiland, het Zuidereiland en Stewarteiland. Zendergegevens laten zien dat Nieuw-Zeelandse vogels een kleiner leefgebied gebruiken en zich hooguit honderdveertig kilometer verplaatsen, terwijl Australische vogels tot vijfhonderdvijftig kilometer afleggen — een verschil dat verklaart waarom de Australische stand van jaar tot jaar met de waterstand meebeweegt en de Nieuw-Zeelandse niet.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga van september tot december bij zonsondergang aan de rand van een groot rietmoeras staan en luister een half uur zonder te bewegen; dat is verreweg de betrouwbaarste manier om de soort vast te stellen. Overdag loont het de smalle geultjes en de rietrand af te speuren waar het riet in open water overgaat, vooral bij dalend water. Ga het riet niet in: een verstoorde roerdomp verlaat zijn plek en de nesten liggen op de grond.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU) op de wereldlijst en in Nieuw-Zeeland ingedeeld als nationaal kritiek, met in de jaren tachtig een schatting van ongeveer negenhonderd vogels in dat land en sindsdien een scherpere daling. Het moeras van Whangamarino telde in de jaren tachtig zo'n honderdvijfenveertig vogels en nu minder dan vijftien roepende mannetjes, een achteruitgang van negenentachtig procent in vijfendertig jaar. Nieuw-Zeeland heeft negentig procent van zijn moerassen verloren, en daarbij komen roofdieren, slechte waterkwaliteit, minder voedsel en sterfte door honger in de winter; nesten en vrouwtjes zijn de zwakste schakel.
Wetenschappelijke naam
Botaurus poiciloptilus | (Wagler, 1827)
Wagler beschreef de vogel in 1827 als Ardea poiciloptila, bij de reigers; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens, uit het middeleeuws Latijnse butio, 'roerdomp', en taurus, 'stier', naar het dreunende geluid. poiciloptilus is gevormd uit het Griekse poikilos, 'bont gevlekt', en ptilon, 'veer'. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales.




