Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Aziatische grasuil

Aziatische grasuil | Tyto longimembris

Eastern Grass Owl | Lechuza patilarga

De Aziatische grasuil is de enige uil van Australië die geen boom nodig heeft: hij rust, jaagt en broedt op de grond, in hoog tussockgras en rietland. Aan de extreem lange, dunne poten die in de vlucht ver achter de staart uitsteken is hij zelfs in een koplampbundel meteen te herkennen.

Aziatische grasuil (Tyto longimembris)
Foto: Ronny Overhate — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgt hij volkomen — dat hoort bij een vogel die het van dekking moet hebben. Wordt hij verrast of verdedigt hij het nest, dan klinkt een hard, rauw raspend gekrijs, korter en schriller dan dat van de Australische kerkuil. Rond het nest en tijdens de baltsvluchten hoort men een zacht, hoog getwitter en gekwetter, en een reeks klikkende tikken; de jongen sissen aanhoudend vanuit het gras. Wie op geluid jaagt vindt deze soort zelden: hier doet het oog het werk.

Luister: ZangXC810202

Opname: Jerome Chie-Jen Ko — CC BY-NC-SA 4.0 · Tainan, Taiwan · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote kerkuil met een hartvormig gezicht en kleine, donkere ogen met een opvallende zwarte en okerkleurige 'traanvlek' eronder. De bovenzijde is donker chocoladebruin met okerkleurige vlekken en een zilverachtige spikkeling; de onderzijde is licht crème tot wit met fijne donkere stippen. Het mannetje heeft een witte gezichtssluier, het vrouwtje een bleek oranjebruine met donkere spikkels. Het beslissende kenmerk zit onderaan: de poten zijn zeer lang, dun en nauwelijks bevederd, gemaakt om door dicht gras heen te reiken, en ze hangen in de vlucht ver voorbij de staart. De vleugels zijn lang en gebandeerd, met zilveren vlekken. De vlucht is traag en golvend, laag boven het gras, met veel bidden.

Verwarrings­soorten

De oostelijke kerkuil (Tyto javanica) is de meest verwarrende: van dezelfde orde van grootte, maar goudbruin en grijs van boven in plaats van chocoladebruin, spierwit van onder, en met korte poten die niet achter de staart uitsteken. Hij jaagt bovendien vanaf palen en draden, terwijl de grasuil vrijwel altijd in de lucht boven het gras hangt. De Australische kerkuil (Tyto novaehollandiae) is duidelijk zwaarder gebouwd, met dikke, tot op de tenen bevederde poten en forse klauwen, en hoort bij bos, niet bij open grasland. De zwarte kerkuil (Tyto tenebricosa) is van boven én onder donker roetgrijs en zit in vochtig kloofbos. Het leefgebied lost de meeste gevallen al op: een kerkuil die uit hoog tussockgras opvliegt, is deze.

Leefgebied

Hoog tussockgrasland en rietmoeras, kustheide, lignumvlakten en drassige laagten, en verder landbouwgrond die hetzelfde beeld geeft — suikerriet, sorghum en braakliggende rijstvelden. Overdag drukt hij zich in een 'vorm', een aangetrapte kom in een dichte tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), met een net van tunnels door het gras eromheen; het nest ligt op dezelfde manier onder een pol gras of zegge. Zonder hoog, ongebrand gras verdwijnt hij van een terrein binnen een seizoen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen Australië twee gescheiden kernen: een oostelijke langs de overstromingsvlakten van de grote rivieren, van Kaap York zuidwaarts tot de Manning River in Nieuw-Zuid-Wales, en een binnenlandse in het Mitchellgrasland van de Barkly Tableland en de Channel Country. Daartussen verschijnt hij onregelmatig, want hij verplaatst zich met de regen: na natte jaren en de knaagdierplagen die daarop volgen kunnen er plotseling tientallen op een vlakte zitten waar de soort jaren afwezig was, om daarna weer te verdwijnen. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor. Buiten het kaartvenster loopt het areaal door over Nieuw-Guinea, Nieuw-Caledonië, Fiji en een groot deel van zuidelijk en oostelijk Azië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de laatste minuten van de schemering langs een dijk of een weg door rietland of suikerriet en let op een bleke uil die laag en traag boven het gras hangt en bidt; de bungelende lange poten maken de determinatie dan al rond. Ga in natte jaren naar de kustvlakten van Queensland of, in het binnenland, naar het Mitchellgrasland na een goed regenseizoen. Loop niet door het gras om hem op te jagen: rust- en nestplaatsen liggen op de grond en zijn gemakkelijk kapot te lopen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), want het areaal loopt door tot diep in Azië, maar in Australië is het beeld minder gerust: in Nieuw-Zuid-Wales staat de soort als kwetsbaar genoteerd. Het knelpunt is het grasland zelf. Te vaak of op het verkeerde moment branden, begrazing die de tussocks kort houdt, en het omzetten van overstromingsvlakten in akkers nemen de dekking weg waarvan alles bij deze uil afhangt — rusten, broeden en het verstoppen van de jongen. Omdat hij op de grond broedt, zijn vossen, wilde katten en varkens bovendien een directe bedreiging voor de nesten, en omdat de aantallen met de regen op en neer gaan, is een achteruitgang lastig te zien.

Wetenschappelijke naam

Tyto longimembris | (Jerdon, 1839)

Jerdon beschreef de soort in 1839 als Strix longimembris, met als typelocatie de Nilgiri-heuvels bij Coonoor in Zuid-India; omdat ze later naar Tyto verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is samengesteld uit longus, lang, en membrum, lidmaat: 'langbenig', precies het kenmerk waaraan hij te herkennen is — de Spaanse naam lechuza patilarga zegt hetzelfde. De Nederlandse naam Aziatische grasuil verwijst naar de Aziatische typelocatie en naar het grasland waarin hij leeft. Het geslacht Tyto voerde Billberg in 1828 in, naar het Griekse tuto, 'nachtuil'.