Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Oostelijke kerkuil
Oostelijke kerkuil | Tyto javanica
Eastern Barn Owl | Lechuza común oriental
De oostelijke kerkuil is de bleke, spookachtige uil die in het licht van koplampen over een berm zweeft: goudbruin met grijs van boven, spierwit van onder, met een hartvormig gezicht en kleine donkere ogen. Hij is de algemeenste kerkuil van Australië en volgt de muizen — na een goed regenjaar zit hij plotseling overal, om daarna weer weg te trekken.
Geluid
Het kenmerkende geluid is een lang uitgehaald, schor sissend gekrijs dat tot een tiental seconden kan duren en zonder inleiding uit het donker komt; het klinkt eerder als scheurend doek dan als een roep. Daarnaast klinken fluitende en piepende noten, een golvend gesis bij het nest, en luid geklapper met de snavel bij dreiging en balts. Bedelende jongen laten een aanhoudend, raspend gesnurk horen dat van een afstand uit een holle boom lijkt te komen. Een echt hoe-geluid maakt deze uil nooit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote, slanke uil met lange vleugels en een groot, scherp omrand hartvormig masker met kleine, donkerbruine ogen. De bovenzijde is zandkleurig oranjebruin met lichtgrijze wolking en fijne zwarte en witte stipjes, de onderzijde wit tot crème met een gelijkmatige zwarte spikkeling; vrouwtjes zijn gemiddeld donkerder en meer gevlekt dan mannetjes. In koplampen of maanlicht lijkt hij vrijwel geheel wit. De poten zijn slank en slechts tot ongeveer halverwege de loopbeen bevederd; daaronder zitten schaarse, haarachtige veertjes. De vlucht is licht, traag en golvend, met veel bidden en met een opvallend lichte ondervleugel.
Verwarringssoorten
De Australische kerkuil (Tyto novaehollandiae) is de belangrijkste verwarring: forser, met een zwaarder masker, dikke tot op de tenen bevederde poten en grove klauwen, gemiddeld donkerder en met een diepere, rauwere schreeuw; hij hoort bij bos, deze bij open land. De aziatische grasuil (Tyto longimembris) is van boven donker chocoladebruin in plaats van goudbruin en heeft extreem lange, dunne poten die in de vlucht ver achter de staart uitsteken; hij vliegt boven hoog tussockgras en gaat niet op palen zitten. De zwarte kerkuil (Tyto tenebricosa) is van boven én onder donker roetgrijs. In Nieuw-Zeeland is de enige verwarring de boeboekuil (Ninox novaeseelandiae), die kleiner, donkerbruin en geeloogig is.
Leefgebied
Open en vaak droog land: boerenland met verspreide bomen, heide, licht beboste graslanden en droog eucalyptusbos, tot in de rand van dorpen en steden. Hij jaagt vanaf een hekpaal, draad of lage tak, of biddend laag boven een berm, en rust overdag in een holle boom, een grot, een rotsspleet, een verlaten schuur of een dichte kroon. De broedplaats is bijna altijd een boomholte, soms op vijftien tot vijfentwintig meter hoogte, maar een kerktoren, een schacht of een stapel hooi voldoet even goed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië, waar alleen voedsel en dekking de grenzen bepalen; op Tasmanië ontbreekt hij. De aantallen zijn sterk wisselend: in het binnenland volgt hij de knaagdierplagen die op natte jaren volgen en kan hij dan bij duizenden broeden, waarna de vogels bij droogte massaal naar de kust en naar het noorden uitwijken. In Nieuw-Zeeland is hij een nieuwkomer die het zelf gered heeft: na jaren van losse waarnemingen werd in 2008 in Northland het eerste broedgeval vastgesteld, en sindsdien houdt zich daar een kleine, groeiende populatie op. Ook op Norfolkeiland en de andere eilanden in het kaartvenster duikt hij op.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd na donker langzaam over een landweg door boerenland en kijk naar de bermen: de bleke, laag biddende gestalte in het licht van de koplampen is negen van de tien keer deze soort. Let in droge jaren op oude schuren en watertorens, en in het binnenland op elke holle boom langs een kreek. Wie braakballen onder een slaapplaats uit elkaar haalt, houdt vrijwel altijd de schedeltjes van huismuizen over — dat bevestigt de determinatie net zo goed als het uiterlijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het areaal is enorm, de soort past zich moeiteloos aan boerenland aan en profiteert zelfs van de ingevoerde huismuis, haar belangrijkste prooi. Toch zijn er drukpunten. Rodenticiden van de tweede generatie hopen zich op in de uil die de vergiftigde muizen eet, en in gebieden met veel muizenbestrijding is dat aantoonbaar. Verder eisen aanrijdingen een flinke tol, juist omdat hij graag boven bermen jaagt, en het verdwijnen van holle bomen in landbouwgebied beperkt plaatselijk de broedmogelijkheden. Daar staat tegenover dat nestkasten goed worden aangenomen.
Wetenschappelijke naam
Tyto javanica | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix javanica, met Java als typelocatie; omdat ze later naar Tyto verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto voerde Billberg in 1828 in, naar het Griekse tuto, 'nachtuil'. Het epitheton betekent eenvoudig 'van Java'. De Australische vogels horen bij de ondersoort delicatula, in 1837 door Gould beschreven. Tot voor kort werden alle kerkuilen van de wereld onder Tyto alba samengenomen; de oostelijke vorm is daarvan afgesplitst, en aan die splitsing dankt hij zijn Nederlandse en Engelse naam.




