Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Stekelstaartgierzwaluw

Stekelstaartgierzwaluw | Hirundapus caudacutus

White-throated Needletail | Vencejo mongol

De stekelstaartgierzwaluw broedt in de bossen van Siberië en Japan en brengt het zuidelijke zomerhalfjaar door boven het oosten van Australië, van oktober tot april. Het is een zware, breedborstige gierzwaluw met een korte, recht afgesneden staart waar de veerschachten als naalden uitsteken, en hij verschijnt vooral in de uren vóór een onweersbui.

Stekelstaartgierzwaluw (Hirundapus caudacutus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij is in Australië vrijwel altijd zwijgzaam, en de meeste waarnemers zien de soort zonder ooit een geluid te horen. Waar een grote groep laag jaagt, klinkt soms een ijl, snel getjilp dat over de vogels heen ratelt en meer op insectengezoem lijkt dan op vogelgeluid. Op de broedplaatsen in het noorden is hij luidruchtiger, maar dat gebied ligt ver buiten deze gids. Wie een groep boven een bergkam ziet foerageren, moet het dus van het oog hebben en niet van het oor.

Luister: VluchtroepXC1016659

Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · 藻琴山 (near Teshikaga), Kawakami District, Hokkaido, Japan · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, tonvormige gierzwaluw van twintig tot tweeëntwintig centimeter met zeer lange, sikkelvormige vleugels en een korte, vierkant afgesneden staart waaruit stugge naaldvormige veerschachten steken. Het kleed is grijsbruin met een groene glans, met een witte keel en een wit hoefijzer dat van de onderstaartdekveren naar voren langs de flanken loopt — het beslissende kenmerk, en bij tegenlicht vaak het enige zichtbare. Over de rug ligt een lichter grijsbruin zadel dat tegen de donkere vleugels afsteekt. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. De vlucht is razendsnel en krachtig, met lange glijstukken en scherpe bochten, en de vogel oogt in de lucht duidelijk zwaarder dan een zwaluw.

Verwarrings­soorten

De Siberische gierzwaluw (Apus pacificus) is de enige echte verwarring en trekt in dezelfde maanden door Australië: hij is met zeventien tot achttien centimeter kleiner en veel slanker, heeft een duidelijk gevorkte staart en een witte stuitband, en mist het witte hoefijzer onder de staart. Zwaluwen en huiszwaluwen zijn veel kleiner, vliegen trager en fladderender en hebben een heel andere vleugelvorm. Op grote hoogte kan een groep stekelstaartgierzwaluwen ook aan foeragerende vleermuizen doen denken, maar het tempo is onvergelijkbaar.

Leefgebied

Hij leeft in de lucht en gebruikt het landschap alleen als iets waarboven hij jaagt: nat en droog eucalyptusbos, savanne, boerenland, bergkammen, kustkliffen en de lucht boven steden. Hij eet vliegende insecten — termieten, mieren, kevers en vliegen — die in stijgwind en in de thermiek voor een onweersfront worden opgestuwd. Slapen doet hij in bomen; oude berichten dat de soort in Australië nooit landt, blijken niet te kloppen.

Verspreiding en trek

Hij broedt van juni tot augustus in de bossen van zuidoostelijk Siberië, Mongolië, het Koreaanse schiereiland en noordelijk Japan, en trekt daarna naar het zuiden. In Australië is hij aanwezig van oktober tot april — de zuidelijke zomer, precies het tegenovergestelde van het seizoen waarin hij broedt — vooral langs en ten oosten van het Groot Australisch Scheidingsgebergte, en talrijker aan de kust dan in het binnenland. Naar West-Australië komt hij onregelmatig en in kleine aantallen, en Nieuw-Zeeland bereikt hij alleen als dwaalgast. Het aantal Australische waarnemingen is in de laatste decennia duidelijk teruggelopen.

  • Zomergast (broedt hier niet)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk op een broeierige middag tussen november en februari naar de lucht vóór een naderend onweer of een koufront; dat is het moment waarop groepen laag komen jagen en met het blote oog te volgen zijn. Zoek langs een bergkam of boven een beboste helling, waar stijgwind de insecten omhoog draagt. Wacht bij elke vogel op een moment dat de onderstaart in beeld komt: het witte hoefijzer beslist de soort in één keer.

Staat van instandhouding

Op de wereldlijst niet bedreigd (LC), maar in Australië sinds april 2024 zowel landelijk als in Nieuw-Zuid-Wales als kwetsbaar aangemerkt, na een duidelijke daling van het aantal waarnemingen. Het ontginnen van grasland en het kappen van open bos en bos vermindert de insectenvoorraad waarvan de soort in het zuiden leeft. Aanvaringen met windturbines gelden als een tweede bedreiging, en van de omvang en de oorzaken van de sterfte is nog weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Hirundapus caudacutus | (Latham, 1801)

Latham beschreef de vogel in 1801 als Hirundo caudacuta, bij de zwaluwen; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hirundapus werd in 1836 ingevoerd door Hodgson en is samengesteld uit het Latijnse hirundo, 'zwaluw', en Apus, het geslacht van de gierzwaluwen. caudacutus betekent 'met scherpe staart', uit cauda en acutus, naar de uitstekende veerschachten. De typelocatie is Nieuw-Holland, door Mathews nader bepaald als Nieuw-Zuid-Wales.