Alle soortenGierzwaluwachtigenGierzwaluwen › Siberische gierzwaluw

Siberische gierzwaluw | Apus pacificus

Fork-tailed Swift | Vencejo del pacífico

De siberische gierzwaluw broedt in Siberië en Japan en is in Australië uitsluitend niet-broedende zomergast: van oktober tot april jaagt hij hoog boven het hele werelddeel, vaak in groepen van honderden en het liefst in de opstijgende lucht voor een onweersfront. Hij is te herkennen aan de diep gevorkte staart en de brede witte stuitband die bij elke bocht oplicht. Hij broedt hier niet — geen enkel nest is ooit in Australië gevonden.

Siberische gierzwaluw (Apus pacificus)
Foto: Stuart Price from Hakodate, Japan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In Australië hoor je hem zelden. Boven een laag jagende groep klinkt soms een ijl, schril gegier, maar veel waarnemers zien de soort jaar na jaar zonder ooit een geluid op te vangen — het gaat hier bij uitstek om een vogel van het oog en niet van het oor. In het broedgebied is hij wel luidruchtig: daar klinken de gebruikelijke gierzwaluwkreten, een trillend tsiriririri en een hardere spie-eer, zachter en minder krijsend dan bij de gewone gierzwaluw. Dat gebied ligt duizenden kilometers buiten deze gids, dus voor de determinatie hier telt het geluid niet mee.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke gierzwaluw van zeventien tot achttien centimeter met een spanwijdte van ruim veertig tot vijfenvijftig centimeter, met lange, smalle en sikkelvormig gebogen vleugels en een lang lijf. De staart is diep gevorkt en wordt in de glijvlucht vaak gespreid, waarna de vork juist even verdwijnt — kijk dus meerdere keren. Over de stuit loopt een smalle, scherp begrensde witte band, en de keel is wittig. De onderdelen zijn donker grijsbruin met witte veerzomen die van dichtbij en in goed licht een fijne schubtekening geven; dat is het kenmerk waarmee de soort het zekerst wordt vastgelegd. Jonge vogels hebben bleke zomen op de vleugelveren die bij volwassen vogels ontbreken. De vlucht is snel, gestrekt en zwenkend, met lange glijstukken.

Verwarrings­soorten

De stekelstaartgierzwaluw (Hirundapus caudacutus) trekt in dezelfde maanden door Australië en is de belangrijkste verwarring: hij is groter en veel zwaarder gebouwd, tonvormig, met een korte vierkante staart, géén witte stuitband maar een wit hoefijzer dat van de onderstaartdekveren langs de flanken naar voren loopt. De grote huisgierzwaluw (Apus nipalensis) is een zeldzame dwaalgast die tussen groepen siberische gierzwaluwen kan zitten: kleiner, korter van lijf, met stompe vleugeltoppen, een vrijwel vierkante staart, een bredere stuitband en egaal donkere onderdelen zonder schubtekening. De feezwaluw (Petrochelidon ariel) en de Australische boomzwaluw (Petrochelidon nigricans) hebben eveneens een bleke stuit maar zijn veel kleiner en fladderen; de grijze salangaan (Aerodramus terraereginae) is minuscuul en heeft helemaal geen wit.

Leefgebied

Hij leeft in de lucht en gebruikt het landschap alleen als iets waarboven hij jaagt: droog eucalyptusbos en woodland, savanne, akkerland en weiland, de lucht boven steden en havens, en in het droge seizoen ook boven duinwoestijn en zoutmeren van het binnenland. Hij eet vliegende insecten — termieten, mieren, kevers, vliegen en zwevende spinnen — die in thermiek en in de stijgwind voor een bui of een koufront worden opgestuwd, en volgt daarbij de weersfronten door het land. Slapen doet hij vermoedelijk grotendeels in de lucht; vaste slaapplaatsen op de grond zijn in Australië nauwelijks bekend.

Verspreiding en trek

Hij broedt van juni tot augustus in Siberië, van de Ob oostwaarts tot Kamtsjatka, en verder op Sachalin, de Koerilen en in Japan; binnen deze gids is hij dus uitsluitend gast en geen broedvogel. In Australië verschijnt hij van oktober tot april — de zuidelijke zomer — en dan over vrijwel het hele werelddeel, van het noordwesten van West-Australië tot Victoria en tot op Tasmanië, met de grootste aantallen in het noorden en het binnenland tijdens het moessonseizoen. De groepen zijn nomadisch en verschijnen waar de weersomstandigheden insecten opstuwen, zodat hij op een plek jarenlang kan ontbreken en dan ineens bij honderden overkomt. Nieuw-Zeeland bereikt hij slechts als hoge zeldzaamheid, met enkele gevallen, waaronder een vogel bij Taiaroa Head op het Otago-schiereiland.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk omhoog op een broeierige middag tussen november en maart, vooral als er een onweersbui of een koufront aankomt: dat is het moment waarop de groepen laag genoeg komen om de staartvork en de stuitband met een verrekijker te zien. Zoek in het noorden tijdens het regenseizoen boven Darwin en Broome, waar groepen van honderden gewoon zijn. Volg één vogel een tijdje in plaats van de groep te scannen, want de staart wordt afwisselend gespreid en gesloten en de vork is alleen in het tweede geval te zien; en kijk telkens of er tussen de vogels niet eentje korter en stomper is, want dat kan een grote huisgierzwaluw zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een enorm broedareaal door heel Noordoost-Azië en een populatie die niet snel achteruitgaat. In Australië is hij geen broedvogel, zodat het land vooral verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het luchtruim waarin hij hier de zomer doorbrengt: de achteruitgang van vliegende insecten door het omzetten van grasland en woodland raakt hem via zijn voedsel. Aanvaringen met windturbines gelden voor de hoog jagende gierzwaluwen als een tweede punt van zorg, al is er over de omvang daarvan nog weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Apus pacificus | (Latham, 1801)

Latham beschreef de vogel in 1801 als Hirundo pacifica, bij de zwaluwen; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apus werd in 1777 ingevoerd door Scopoli, naar het Griekse apous, 'zonder voeten' — het oude idee dat gierzwaluwen geen poten hadden. pacificus betekent 'van de Stille Oceaan'. Aardig genoeg ligt de typelocatie in Nieuw-Holland, door Mathews nader bepaald als Nieuw-Zuid-Wales: de soort is dus beschreven naar een Australische vogel, terwijl ze daar juist niet broedt. De Nederlandse naam kiest het broedgebied en de Engelse de staartvorm.