Alle soortenNachtzwaluwachtigenNachtzwaluwen › Baardnachtzwaluw

Baardnachtzwaluw | Eurostopodus mystacalis

White-throated Nightjar | Chotacabras bigotudo

De baardnachtzwaluw is de grootste nachtzwaluw van Australië en de vogel van de beboste heuvelruggen langs de oostkust. Overdag ligt hij roerloos in het bladstrooisel van een droge helling en is hij nauwelijks van de grond te onderscheiden; 's nachts verraadt hij zich door een versnellende, lachende zang die vanaf het hoogste punt in de omgeving komt. De twee grote witte vlekken aan weerszijden van de keel geven hem zijn Nederlandse naam.

Baardnachtzwaluw (Eurostopodus mystacalis)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is bij deze soort het beslissende kenmerk, want zien doe je hem zelden. De zang duurt drie tot zes seconden en begint met een stuk of tien holle, langzaam in toonhoogte oplopende noten, whoek whoek whoek whoek, die steeds sneller achter elkaar komen en dan overslaan in een rollende, gierende lachsalvo die menig kampeerder wakker heeft gehouden. Hij zingt vanaf de grond of vanaf een lage kale tak op een heuveltop of bosrug, vooral in het eerste uur na zonsondergang en opnieuw in het laatste uur voor het licht wordt, en het luidst op maanheldere nachten tussen oktober en december. Bij het nest klinken lage, hese contactnoten tussen ouder en jong, en bij verstoring blaast en sist hij en klapt hij met de snavel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse nachtzwaluw van dertig tot zevenendertig centimeter, duidelijk groter dan alle andere nachtvogels van vergelijkbare bouw in het gebied. Het kleed is donker en variabel grijsbruin gemarmerd, met brede zwartbruine lengtestrepen over de bovendelen en zonder het bleke, dicht bezaaide vlekkenpatroon van de argusnachtzwaluw. Aan weerszijden van de keel staat een groot wit vlak dat bij een zittende vogel als een halve halsband oogt. Op de vier buitenste handpennen zitten kleine witte vlekken, bij het mannetje het duidelijkst; de staart is bruin met zwarte spikkels en heeft geen wit — dat laatste is in de vlucht het bruikbaarste onderscheid. De vleugels zijn lang en spits, de staart lang, en de vlucht is hoog, licht en zwenkend, vaak net boven het kronendak.

Verwarrings­soorten

De argusnachtzwaluw (Eurostopodus argus) is de naaste verwant en de belangrijkste verwarring: kleiner (25–28 cm), veel bleker en roodbruiner gevlekt, en met grote witte vensters in de handpennen die in de vlucht meteen oplichten. Hij hoort bovendien in het droge binnenland thuis en niet op de vochtige oostelijke bergruggen, zodat verspreiding en vleugelvlek samen meestal al beslissen. Horsfields nachtzwaluw (Caprimulgus macrurus) heeft brede witte hoeken in de staart en een volstrekt andere, kloppende roep; hij overlapt alleen in het noordoosten van Queensland. De Australische dwergnachtzwaluw (Aegotheles cristatus) is veel kleiner, vliegt laag en fladderend en slaapt in boomholten. De Uilnachtzwaluw (Podargus strigoides) zit overdag rechtop tegen een tak in plaats van plat op de grond en heeft een zware grijze snavel.

Leefgebied

Droog, open eucalyptusbos en woodland met weinig ondergroei, vooral op heuvelruggen, rotsige kammen en steile hellingen; juist de hoogste punten in een bosgebied zijn zijn zangposten. Pas gebrande terreinen met kale bodem zijn bijzonder in trek, omdat hij daar zowel kan rusten als broeden. In Nieuw-Zuid-Wales gebruikt hij daarnaast de randen van regenwoud en mangrove, en in het noorden ook nat eucalyptusbos en oostelijke heide. Gesloten bos zonder open plekken en kale woestijn slaat hij over.

Verspreiding en trek

Oost-Australië, vrijwel geheel ten oosten van en op de Great Dividing Range, van Kaap York en noordelijk Queensland zuidwaarts tot in oostelijk Victoria, met de hoogste dichtheden in Queensland en Nieuw-Zuid-Wales. De zuidelijke vogels zijn zomergasten: ze broeden van september tot februari en verlaten Australië tussen februari en april om in Nieuw-Guinea te overwinteren, en die trek legt hij opvallend genoeg overdag af, zodat de nachten voor jagen overblijven. In midden- en noordelijk Queensland blijft een deel van de vogels het hele jaar. In Nieuw-Zeeland komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek een bosrug of heuveltop op — het hoogste punt van een wandelgebied is bijna altijd de zangpost — en ga daar in de laatste minuten van de schemering staan luisteren; de oplopende reeks en de lach daarna zijn met geen enkele andere Australische vogel te verwarren. Kies een heldere avond tussen oktober en december, want op maanloze of natte nachten zwijgt hij vaak. Schijn met een lamp laag over de grond: de ogen geven een dieprode weerkaatsing, en op die manier vind je de zittende vogel voordat hij opvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het verspreidingsgebied is groot en er zijn geen aanwijzingen voor een snelle achteruitgang. Wel is de soort nergens talrijk en door haar nachtelijke bestaan slecht in de gaten te houden, zodat een daling lang onopgemerkt zou blijven. De drukpunten zijn die van elke grondbroeder met één ei per legsel: verwilderde katten en vossen, veranderde brandregimes waardoor de open, pas gebrande stukken verdwijnen of juist te vaak terugkomen, en aanrijdingen op boswegen waar de vogel op het warme wegdek gaat zitten.

Wetenschappelijke naam

Eurostopodus mystacalis | (Temminck, 1826)

Temminck beschreef de vogel in 1826 als Caprimulgus mystacalis; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eurostopodus werd in 1838 ingevoerd door Gould, uit het Griekse eurostos, 'stevig', en pous, 'voet'. mystacalis gaat terug op het Griekse mystax, 'snor' of 'bovenlip', naar de witte keelvlekken die als een baard onder de kop staan — precies waar de Nederlandse naam naar verwijst. De typelocatie is Nieuw-Holland, later beperkt tot Nieuw-Zuid-Wales. In oudere literatuur staat de soort ook wel als Eurostopodus albogularis.