Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Argusnachtzwaluw
Argusnachtzwaluw | Eurostopodus argus
Spotted Nightjar | Chotacabras argos
De argusnachtzwaluw is de nachtzwaluw van het droge Australische binnenland, genoemd naar de honderdogige wachter uit de Griekse verhalen omdat zijn kleed van boven tot onder gevlekt is. Hij rust overdag op kale grond tussen spinifex en steen, en verraadt zich pas als hij opvliegt en vier grote witte vlekken in de handpennen laat oplichten.
Geluid
De baltszang duurt vier tot zes seconden en begint met negen tot twaalf noten die in toonhoogte oplopen, waarna een snelle reeks klokkende, gorgelende klanken volgt: kwo-kwo-kwo-kwoe-kwoe ... gobbel-gobbel-gobbel. Hij zingt vanaf de grond of vanaf een lage kale tak, vooral in de eerste uren na zonsondergang en op maanheldere nachten door tot het licht wordt. De zang hoort bij het broedseizoen van september tot december; daarbuiten is de soort vrijwel stil. Opvliegende vogels geven een korte, scherpe roep die makkelijk over het hoofd wordt gezien.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een nachtzwaluw van vijfentwintig tot achtentwintig centimeter met lange, spitse vleugels en een lange staart, in rust vrijwel plat tegen de grond gedrukt. Het meest bruikbare kenmerk zijn de grote witte vlekken op de vier buitenste handpennen, die in de vlucht als een helder venster in de vleugel oplichten en bij beide geslachten aanwezig zijn. De kop is grijs gespikkeld met zwarte kruinveren die roodbruin of geelbruin omzoomd zijn, de bovendelen zijn middengrijs met roodbruine en okergele strepen, en op de keel staat een paar grote ovale witte vlekken. De onderdelen zijn okergeel tot roodbruin met zwartbruine dwarsbanden. In de vlucht is hij hoog, licht en grillig, met lange zweefstukken op omhooggehouden vleugels.
Verwarringssoorten
De witkeelnachtzwaluw (Eurostopodus mystacalis) van de oostkust en de oostelijke bergen is donkerder en grijzer en mist de grote witte handpenvlekken; waar beide voorkomen is de vleugelvlek het beslissende kenmerk. De langstaartnachtzwaluw (Caprimulgus macrurus) van het tropische noorden heeft witte staarthoeken en een heel andere, kloppende roep. De Australische dwergnachtzwaluw (Aegotheles cristatus) is kleiner, jaagt laag en fladderend en zit in boomholten, nooit op kale grond. De Uilnachtzwaluw (Podargus strigoides) is veel groter, heeft een zware grijze snavel en zit overdag rechtop tegen een tak.
Leefgebied
Warm en droog open land: savanne met eucalyptus, laag open scleroffylbos, mallee, mulga en acaciastruweel, spinifexland, tussockgrasland en gibbervlakte. Wat hij nodig heeft is kale of schaars begroeide grond om op te rusten en te broeden, met struiken of bomen op afstand om vanaf te jagen. Dicht grasland en gesloten bos slaat hij over, en op Tasmanië ontbreekt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het grootste deel van het Australische vasteland, maar in de regel afwezig ten oosten en zuiden van de Great Dividing Range, van midden-Queensland tot zuidoostelijk Zuid-Australië. De zuidelijke vogels zijn deels standvogel en deels trekvogel: een deel van hen overwintert van mei tot september in het noorden van Australië, en sommige vogels steken over naar de eilanden van de Bandazee, de Aru-eilanden en de Kleine Soenda-eilanden. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor. Zijn aanwezigheid in een streek wisselt van jaar tot jaar met de regen en met het aantal insecten dat die oplevert.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd na donker stapvoets over een grindweg door mulga of spinifex en let op de rode weerkaatsing van de ogen op het wegdek; nachtzwaluwen gaan op de nog warme weg zitten en laten een auto dicht naderen. Kijk bij een opvliegende vogel meteen naar de handpen: het witte venster maakt de soort in één oogopslag zeker. Zoek en luister vooral in de eerste twee uur na zonsondergang, tussen september en december.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het droge binnenland wijd verbreid, al is hij nergens in hoge dichtheid te vinden. Aanrijdingen op binnenlandse wegen zijn de meest zichtbare verliespost, omdat de vogel juist het wegdek als rustplaats kiest. Daarnaast drukken veranderde brandregimes en verwilderde katten en vossen op een vogel die op de grond broedt en één ei per legsel heeft.
Wetenschappelijke naam
Eurostopodus argus | Hartert, 1892
Hartert beschreef de soort in 1892 als Eurostopodus argus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Eurostopodus werd in 1838 ingevoerd door Gould, uit het Griekse eurostos, 'stevig', en pous, 'voet'. argus verwijst naar Argus Panoptes, de wachter met honderd ogen uit de Griekse verhalen, naar de vlekken over het hele kleed. De typelocatie is opgegeven als Australië, de Aru-eilanden en vermoedelijk Nieuw-Ierland.





