Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Blauwe pauw

Blauwe pauw | Pavo cristatus

Indian Peafowl | Pavo real

De blauwe pauw komt van het Indiase subcontinent en is in Australië en Nieuw-Zeeland overal terechtgekomen waar men hem als sierkip hield en vervolgens uit het oog verloor. Het mannetje is niet te verwarren: diepblauwe hals en borst, een waaiervormig kuifje van kale steeltjes en een sleep van anderhalve meter met tientallen oogvlekken. Verwilderde groepen lopen nu op boerenland, in dennenbos en in stadsparken, tot ergernis van de buren.

Blauwe pauw (Pavo cristatus)
Foto: Shino jacob koottanad — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept in het voorjaar een doordringend, klagend mie-aauw dat kilometers ver draagt en dat iedereen kent van dierentuinen; daarnaast een snelle reeks kraaiende ka-aan ka-aan-noten, soms wel acht achtereen. Bij schrik klinkt een explosieve, lage honk. Het vrouwtje klokt zacht tegen haar kuikens en als ze voedsel heeft gevonden. Buiten de broedtijd zijn beide geslachten grotendeels stil, op alarmroepen na.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje is het grootste landhoen dat je in het gebied tegenkomt en volstrekt onmiskenbaar: diep blauw op kop, hals en borst, metaalachtig groen op rug en stuit, een naakt witte streep boven en onder het oog, en een rechtopstaand kuifje van een stuk of twintig kale schachtjes met een pluimpje aan het eind. De sleep bestaat uit ongeveer honderdveertig tot honderdvijftig verlengde bovenstaartdekveren, elk met een oogvlek van diepblauw, lichtblauw, goud en groen, en wordt bij de balts als een waaier opgezet. Het vrouwtje is koperbruin op de kop, lichter op de keel, dofgroen op de hals en verder bruin gespikkeld, zonder sleep maar met hetzelfde kuifje. Beide hebben lange grijze poten; het mannetje heeft sporen.

Verwarrings­soorten

Alleen het vrouwtje kan problemen geven. De kalkoen (Meleagris gallopavo), verwilderd in Nieuw-Zeeland en op enkele Australische eilanden, is even groot maar donkerder, heeft een kale blauwrode kop zonder kuif en een brede, korte waaierstaart. Het helmparelhoen (Numida meleagris) is veel kleiner, grijs met witte stippen en draagt een benige helm. De fazant (Phasianus colchicus) is aanzienlijk kleiner en heeft een lange spitse staart maar geen kuifje. Het spitse kuifje van kale steeltjes en de lange grijze poten wijzen bij een grote bruine hoenderachtige altijd op de pauw.

Leefgebied

Ruig boerenland met bomen, parklandschap, laaglandbos en kustweiland, en daarnaast juist ook het menselijke domein: tuinen, parken, golfbanen, erven en de randen van dorpen, waar hij overdag foerageert en 's nachts hoog in een boom of op een dak slaapt. In Nieuw-Zeeland zit hij ook in dennenplantages. Hij heeft open grond nodig om te lopen en hoge slaapbomen om veilig te zitten; dat is vrijwel de hele eis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Nieuw-Zeeland het talrijkst in het noorden van het Noordereiland — Northland, Auckland, East Cape en midden-Hawke's Bay — met bekende verwilderde groepen in het bovenstroomgebied van de Whanganui, op het noorden van het schiereiland Mahia en in de dennenbossen van South Head aan de Kaipara Harbour; verder verspreid in Nelson, Marlborough en Canterbury, en afwezig op Stewart Island. In Australië is de bekendste populatie die van Kangaroo Island in Zuid-Australië, met naar schatting driehonderd vogels rond Murray Lagoon en Western Cove; daarnaast lopen er groepen in Canberra, in de wijken Narrabundah en Pialligo, en op King Island in Straat Bass, met verder overal losse vogels rond boerderijen en parken.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Hoef je nauwelijks te zoeken: rijd in de late winter en het voorjaar door Northland of langs de Kaipara Harbour en stop bij het eerste mie-aauw; de roep is in de balts bijna onafgebroken en wijst de groep binnen een paar minuten aan. Kijk daarna omhoog in de hoge naaldbomen, want daar zitten ze bij het invallen van het donker. Op Kangaroo Island zijn de omgeving van Murray Lagoon en de erven bij Western Cove de veiligste gok.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in het thuisgebied algemeen; in dit gidsgebied is de vraag niet hoe het met de soort gaat, maar wat je met hem aan moet. Hij is in de negentiende eeuw als siervogel meegekomen met de kolonisten en op landgoederen en in dierenparken gehouden; de verwilderde groepen zijn bijna altijd ontstaan uit ontsnapte of losgelaten vogels en uit gewoon verwaarloosde collecties — zo gaat de groep in Canberra vermoedelijk terug op een intussen gesloten dierenpark aan Mugga Lane. Hij is nooit door de acclimatisatiegenootschappen als jachtvogel uitgezet, wat hem van fazant en kalkoen onderscheidt. Klachten gaan over lawaai, over vertrapte en omgewoelde tuinen, over onkruidzaden die hij verspreidt en over bevuilde daken en regenwatertanks; in Zuid-Australië is het loslaten van pauwen bij wet verboden en zijn houders verplicht hun vogels binnen te houden. Dat laatste is lastiger dan het klinkt, want een pauw vliegt zonder moeite meer dan een kilometer.

Wetenschappelijke naam

Pavo cristatus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende druk van zijn Systema Naturae als Pavo cristatus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Pavo is gewoon het Latijnse woord voor pauw; het gaat via het Griekse taōs terug op een oostelijke handelsnaam, en uiteindelijk vermoedelijk op het Tamil. cristatus betekent 'gekuifd', naar het rechtopstaande waaierkuifje dat beide geslachten dragen — niet naar de sleep, die immers geen kuif is. De typelocatie is India, zonder nadere bepaling; de vogel was in Europa toen al tweeduizend jaar bekend als sier- en tempelvogel, en Linnaeus hoefde voor zijn beschrijving dan ook nauwelijks verder te kijken dan de dichtstbijzijnde vorstelijke tuin.