Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Blauwwangrosella

Blauwwangrosella | Platycercus elegans

Crimson Rosella | Perico elegante

De blauwwangrosella is de scharlakenrode papegaai met de kobaltblauwe wang van het vochtige bos in het zuidoosten van Australië. Onder één naam gaan drie heel verschillende gedaanten schuil: het rode vogeltje van de bergketens, de gele vorm van de Murray en de oranje Adelaide-vorm daartussenin. AviList v2025b houdt ze alle drie bij deze ene soort, want waar ze elkaar raken, kruisen ze zonder ophouden.

Blauwwangrosella (Platycercus elegans)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een tweelettergrepig, klokkend kussik-kussik, met stijgende klemtoon op de tweede lettergreep, dat een overvliegende vogel al van ver aankondigt. Zittend voegt hij daar heldere, metalige fluittonen en een zacht gekwetter aan toe. Bij schrik of ruzie klinkt een schril, hard gekrijs. Een groep in een bloeiende eucalypt houdt onderling een laag, aanhoudend gepraat aan dat pas opvalt als men eronder gaat staan.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote papegaai van rond de vijfendertig centimeter, waarvan een flink deel staart. De volwassen vogel van de rode vorm is diep scharlakenrood op kop, onderzijde en stuit, met kobaltblauwe wangen, een blauwe brede zoom langs de vleugel en een blauwe staart; de rugveren zijn zwart met brede rode randen, wat de rug geschubd doet lijken. De gele vorm van de Murray heeft al dat rood door lichtgeel vervangen en een groenige staart, de Adelaide-vorm ligt daartussenin, van diep oranjerood in het zuiden tot bleek oranjegeel in het noorden. Man en vrouw lijken op elkaar; het mannetje is tot een zevende groter en heeft een bredere snavel. Jonge vogels zijn olijfgroen met blauwe wangen en kleuren pas na een klein anderhalf jaar door.

Verwarrings­soorten

De prachtrosella (Platycercus eximius) deelt in het zuidoosten het terrein maar heeft witte wangen, een rode kop en borst met een gele buik en een bont geschubde mantel; verwarring ontstaat alleen bij vluchtig zien. De Australische koningsparkiet (Alisterus scapularis) is groter en heeft bij het mannetje een geheel rode kop zonder blauwe wang, een groene rug en een rechte, lage vlucht in plaats van de korte golven van de rosella. Jonge blauwwangrosella's zijn groen en worden verward met Platycercus caledonicus van Tasmanië, maar die is als volwassen vogel geel en groen en komt op het vasteland niet voor.

Leefgebied

Nat en hoog eucalyptusbos met een vochtige onderlaag, en het regenwoud daarnaast, vormen de kern van het areaal; daaronder droger eucalyptusbos en bosrand. De gele vorm hoort thuis in het rivierbos van rode gombomen langs de Murray en de Murrumbidgee, en dat is een heel ander landschap dan het bergbos van de rode vorm. Verder tuinen, parken, boomgaarden en aanplant, waar hij op voedertafels en in vruchtdragende bomen komt. Broeden doet hij in een diepe holte in een oude eucalypt, met de eieren op vermolmd hout.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het zuidoosten van Australië, van zuidoostelijk Queensland langs de kust en de bergketens door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot zuidoostelijk Zuid-Australië en Kangaroo Island, met een aparte bevolking in het bergregenwoud van noordelijk Queensland. De gele vorm volgt de Murray en de Murrumbidgee, de Adelaide-vorm de heuvels rond Adelaide, en waar rood en geel elkaar raken staan oranje kruisingen. Buiten het vasteland is hij op Norfolk uitgezet en daar gevestigd; in Nieuw-Zeeland is dat niet gelukt. Trekken doet hij niet, maar 's winters zakt hij van de bergen naar de valleien.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de winter, van juni tot augustus, een bosweg door de bergketens af en let op de korte, golvende vlucht net onder de kroonlaag; het klokkende kussik-kussik gaat vooraf aan het zien. Wie het verhaal van de vormen wil zien, moet naar de Murray bij Barmah of Renmark voor de gele vogels en naar de Adelaide Hills voor de oranje: dezelfde vogel, dezelfde stem, een andere kleur. Jonge groene vogels zitten vaak apart van de rode groepen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en over het hele areaal algemeen; in dorpen en tuinen is hij eerder toegenomen. De beperking is dezelfde als bij de andere holenbroeders van het oostelijke bos: grote, oude bomen met diepe holten zijn schaars geworden en jong bos levert ze niet. Verder gaan vogels verloren in het verkeer waar ze laag over bosweggetjes vliegen, en verspreidt snavel- en verenziekte zich rond drukbezochte voedertafels. Vangst voor de vogelhandel speelt in Australië geen rol van betekenis meer.

Wetenschappelijke naam

Platycercus elegans | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Psittacus elegans; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Platycercus werd in 1825 ingevoerd door Vigors, uit het Griekse platus, 'breed', en kerkos, 'staart', naar de brede, waaiervormige staart van deze parkieten. elegans is Latijn voor 'sierlijk'. De gele vorm flaveolus en de Adelaide-vorm adelaidae werden lang als eigen soorten gevoerd; sinds gebleken is dat ze in de overgangsgebieden vrij kruisen, staan ze als ondersoort bij elegans, en AviList v2025b volgt dat.