Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Prachtrosella
Prachtrosella | Platycercus eximius
Eastern Rosella | Perico multicolor
De prachtrosella is de bontste papegaai van het open oostelijke landschap: rode kop en borst, witte wangvlekken, gele buik, geelgroene stuit en een zwart met geel geschubde mantel. Hij hoort bij het uitgedunde woodland, bij paardenweiden en golfbanen, en hij is de rosella die de meeste mensen als eerste van dichtbij zien. In Nieuw-Zeeland leeft hij sinds ruim een eeuw als exoot.
Geluid
In de vlucht een scherp, herhaald tsjut-tsjit-tsjut, drie of vier korte tikken achter elkaar, waarmee groepjes elkaar bijhouden. Zittend een hoog, dun pie-pt-ie of een tweelettergrepig kwink kwink dat over een heel weiland draagt. Bij schrik klinkt een hard, ratelend gekrijs. Een groep die op de grond zaad zoekt, praat er zacht en aanhoudend doorheen; dat gemompel is vaak het eerste teken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke papegaai van rond de dertig centimeter met een lange, brede staart. Kop, hals en borst zijn helderrood, met scherp begrensde witte wangvlekken die de soort in één blik vastleggen. De buik is geel, overgaand in geelgroen op de stuit en met een rood veld onder de staart. De mantel is zwart met brede gele of groengele veerranden, waardoor de rug fijn geschubd oogt; de schouder is helderblauw en de staart blauwgroen. Het vrouwtje lijkt op het mannetje maar is meestal doffer, met een minder rood gezicht en een lichte streep over de ondervleugel; jonge vogels zijn nog doffer en hebben die streep ook. De snavelkleur gaat van geel of oranje bij jonge vogels naar vuilwit bij volwassen.
Verwarringssoorten
De blauwwangrosella (Platycercus elegans) is groter en geheel rood met kobaltblauwe wangen in plaats van witte, en houdt van vochtiger en hoger bos. Platycercus adscitus van Queensland is de naaste verwant en heeft een bleekgele kop met blauwe wangen zonder rood, en de twee kruisen waar hun grenzen elkaar raken. Platycercus caledonicus van Tasmanië is groter, geel met een rode band boven de snavel. Op grote afstand kan een prachtrosella op een groepje regenboogloris lijken, maar die vliegen sneller, rechter en veel luidruchtiger.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en uitgedund woodland met gras eronder, bosranden, houtwallen en resten bos in het boerenland; hij mijdt gesloten, hoog bos. Daarnaast graanakkers, weiland met verspreide bomen, boomgaarden, wegbermen, parken, tuinen en golfbanen. Hij zoekt vrijwel al zijn voedsel op de grond: graszaad, onkruidzaad, gemorst graan, knoppen en insecten. Broeden doet hij in een holte in een oude eucalypt, vaak laag, en soms in een paal, een hek of een nestkast.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het zuidoosten van Australië, van zuidoostelijk Queensland door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot zuidoostelijk Zuid-Australië, en in oostelijk Tasmanië. Naar het binnenland toe houdt hij op waar het woodland in mulga en saltbush overgaat. In Nieuw-Zeeland is hij gevestigd sinds rond 1910, toen bij Otago Heads een zending vogels overboord werd gezet en er in Dunedin vogels ontsnapten tijdens een storm; hij zit nu in Northland, de Waikato, Taranaki en de Hutt Valley, en rond Dunedin. Hij trekt niet en zwerft weinig.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in de vroege ochtend een landweg af waar het woodland aan weiland grenst en kijk naar de bermen: prachtrosella's zoeken daar zaad op de grond en vliegen pas op als u vlakbij bent, met dat scherpe tsjut-tsjit-tsjut. De witte wangvlek is bij elk licht het betrouwbaarste kenmerk, ook bij een doffe vogel. In Nieuw-Zeeland loont een boomgaard of een park bij Dunedin; daar zitten de vogels lager en rustiger dan in Australië.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het grootste deel van zijn areaal algemeen; het uitdunnen van bos voor veeteelt heeft hem eerder geholpen dan geschaad, want hij heeft juist die halfopen structuur nodig. Waar het laatste oude hout uit een weiland verdwijnt, verdwijnt hij toch: nestholten komen alleen in oude bomen voor, en met paal- en hekbroed is dat niet goed te maken. Verder verliest hij nesten aan spreeuwen en honingbijen, en sneuvelen vogels in het verkeer omdat ze laag over wegen oversteken.
Wetenschappelijke naam
Platycercus eximius | (Shaw, 1792)
Shaw beschreef de soort in 1792 als Psittacus eximius; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Platycercus werd in 1825 ingevoerd door Vigors, uit het Griekse platus, 'breed', en kerkos, 'staart'. eximius is Latijn voor 'uitgelezen' of 'buitengewoon'. Er worden drie ondersoorten onderscheiden: eximius in Victoria en zuidelijk Nieuw-Zuid-Wales, elecica met een goudgele mantel in het noordoosten, en diemenensis in oostelijk Tasmanië.




