Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Stanleyrosella
Stanleyrosella | Platycercus icterotis
Western Rosella | Perico carigualdo
De stanleyrosella is de kleinste rosella en de enige die in Zuidwest-Australië leeft. Het mannetje heeft een dieprode kop en onderzijde met een scherp afgetekende, helgele wangvlek — het kenmerk waaraan de soort haar wetenschappelijke naam dankt. Het is bovendien de stilste rosella: waar de andere soorten schetteren, laat deze een zacht pink-pink horen.
Geluid
Het contactgeluid is een zacht, muzikaal pink-pink of tsjink-tsjink, vaak in een snelle reeks van drie tot vijf noten en met opvallend weinig volume voor een rosella. In de vlucht klinkt een kort, hoog tsjing-tsjing-tsjing. Groepjes die eten maken een laag gekeuvel dat op een paar meter al wegvalt, en juist die ingetogenheid maakt de soort makkelijk te missen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Met ongeveer zevenentwintig centimeter en een gewicht van nog geen zeventig gram de kleinste en slankste rosella. Het mannetje heeft kop, hals en hele onderzijde dieprood, met een scherp begrensde citroengele vlek op de wang; de mantel is zwart met rode, groene en bruingele veerzomen, de staart blauwgroen. Het vrouwtje is veel doffer: groen waar het mannetje rood is, met een smalle rode band over het voorhoofd, verspreide rode veertjes op de borst en een kleinere, bleekgele wangvlek. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn nog groener en missen de gele wang geheel. De binnenlandse vorm is bleker, met een romige in plaats van gele wang.
Verwarringssoorten
De port-lincolnparkiet (Barnardius zonarius), in het zuidwesten de vorm semitorquatus, deelt overal het terrein: veel groter, effen groen met een zwarte kop, een gele halsband in de nek en géén geschubde mantel — verwarring ontstaat alleen bij groene vrouwtjes en jonge vogels op afstand. De roodkapparkiet (Purpureicephalus spurius) is eveneens Zuidwest-Australisch en heeft bij het mannetje een purperrode kruin, een geelgroene wang en een lange, smalle snavel, en een veel luidruchtiger, krakende roep. De andere rosella's komen in West-Australië niet voor: wie meent een prachtrosella (Platycercus eximius) of blauwwangrosella (Platycercus elegans) te zien, kijkt naar een ontsnapte kooivogel.
Leefgebied
Eucalyptusbos en -woodland van het zuidwesten, met een voorkeur voor wandoo, karri en marri; daarnaast kwongan-heide, struweel en, vooral in de tarwegordel, restbosjes langs akkers en wegbermen. Hij foerageert veel op de grond tussen gras en gevallen zaad en gebruikt boomgaarden, parken en tuinen in plaatsen als Albany en Pemberton. Genesteld wordt in holten van oude eucalypten, soms laag boven de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Uitsluitend Zuidwest-Australië. De kustvorm zit in het vochtige zuidwesten ten zuiden van Dandaragan, de binnenlandse vorm in de halfdroge tarwegordel; samen lopen ze van de Swan River en de omgeving van Perth zuidwaarts en oostwaarts tot de Stirling Range en Esperance. Buiten deze hoek van het continent komt de soort niet voor, en op Nieuw-Zeeland evenmin. Hij is standvogel, met hoogstens korte verplaatsingen naar voedselrijke plekken.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in het wandoo-woodland van de tarwegordel naar paartjes die op de grond tussen het gras scharrelen; ze vliegen pas laat op en verdwijnen dan laag en snel naar de volgende boom. Luister niet op luidheid maar op zachtheid: het ingehouden pink-pink is vaak het enige wat je van ze hoort. Karri-bos bij Pemberton en de randen van de Stirling Range zijn betrouwbare plekken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar dat verhult een reëel probleem. Sinds de kolonisatie is de stand sterk teruggelopen door het grootschalig kappen van het zuidwestelijke bos voor landbouw, en vooral de binnenlandse vorm van de tarwegordel is sterk afgenomen; die wordt in West-Australië als dreigend te verdwijnen aangemerkt. Het verlies van oude holle bomen en de concurrentie om nestholten met ingevoerde soorten wegen daarbij zwaar. De soort staat op bijlage II van CITES.
Wetenschappelijke naam
Platycercus icterotis | (Temminck & Kuhl, 1820)
Temminck en Kuhl beschreven de soort in 1820 als Psittacus icterotis; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Platycercus werd in 1825 ingevoerd door Vigors, uit het Griekse platus, 'breed', en kerkos, 'staart'. icterotis is gevormd uit het Griekse ikteros, 'geel', en ous, 'oor', dus 'geeloor', naar de gele wangvlek. De typelocatie is King George Sound bij Albany in West-Australië. Er worden twee ondersoorten onderscheiden: icterotis aan de kust en xanthogenys in het binnenland. De Nederlandse naam eert Edward Smith-Stanley, de dertiende graaf van Derby, wiens vogelverzameling aan de basis stond van veel vroege beschrijvingen.





