Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Bruine taling
Bruine taling | Anas chlorotis
Brown Teal | Cerceta maorí
De bruine taling of pāteke is de enige vliegvaardige soort van het Nieuw-Zeelandse bruine-talingcomplex: een donkere, gedrongen eend met een opvallende witte oogring, die overdag verscholen in een beschaduwde poel dobbert en pas in de schemering aan het werk gaat. Ooit was hij over heel Nieuw-Zeeland gewoon; nu leeft hij nog vooral in Northland, op Great Barrier Island en op een reeks predatorvrije eilanden.
Geluid
Het mannetje heeft een zachte, ijle triller en een piepend fluitje, dat hij gebruikt bij alarm en bij het verdedigen van zijn territorium; het klinkt eerder als een steltloper dan als een eend. Het vrouwtje antwoordt met een rauwe, schrapende grom en daarnaast een hoog, snel ratelend kwek-kwek-kwek. In het donker, als de vogels actief zijn, is dit geluid vaak het enige bewijs dat er pāteke in een kreek zitten.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een donkere taling van achtenveertig centimeter, fors voor een taling, met korte poten en een laag silhouet. Het mannetje in broedkleed heeft een groene glans over kop en nek, een smalle witte halsring, een donker kastanjebruine borst en fijn gebandeerde flanken, met een witachtige vlek aan de staartbasis. Het vrouwtje is egaal dof donkerbruin gevlekt. Beide geslachten hebben een opvallende witte oogring in een verder donkere kop, een donkergrijze snavel, donkergrijze poten en een groene spiegel. Doorslaggevend: deze taling kan gewoon vliegen — de vleugels zijn volledig ontwikkeld en reiken tot over de stuit.
Verwarringssoorten
De Aucklandtaling (Anas aucklandica) lijkt sprekend op hem, maar is kleiner (45 cm), heeft zeer korte vleugels waarvan de punten maar tot ongeveer halverwege de rug komen, en kan niet vliegen; hij leeft uitsluitend op de Aucklandeilanden, ruim vijfhonderd kilometer ten zuiden van Bluff. De Campbell-taling (Anas nesiotis) is nog kleiner en donkerder, eveneens vleugellam, en beperkt tot Campbelleiland en Codfish Island. De drie overlappen nergens, dus de plaats alleen al beslist; blijft er twijfel, kijk dan naar de vleugels en het vermogen om op te vliegen. De Australische taling (Anas gracilis) is bleker, heeft een witte keel en een rood oog en mist de witte oogring.
Leefgebied
Trage bosbeken, zoetwatermoerassen, dichtbegroeide oevers en juist ook het agrarische landschap: beschaduwde veedrinkpoelen en slootjes in weiland zijn een van zijn belangrijkste broed- en voedselgebieden geworden. 's Nachts trekt hij naar estuaria, kwelders en de wierlijn om ongewervelden te zoeken. Het menu is opvallend breed: land-, zoetwater- en zeeongewervelden, paddenstoelen, zeggezaden, kokerjufferlarven en kevers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Nieuw-Zeeland, en daarbinnen sterk ingekrompen tot het noorden van het Noordereiland: Northland, Great Barrier Island (Aotea), Little Barrier (Hauturu) en het schiereiland Coromandel. Van Chathameiland verdween hij in 1925 en van Stewarteiland in 1972. Door herintroductie leven er nu opnieuw vogels op Kapiti, Mana en Tiritiri Matangi, in Zealandia en Cape Kidnappers, en sinds 2017 in het Abel Tasman National Park. In Australië komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in de schemering naar een rustige veepoel of een beschaduwd beekje in Northland of op Great Barrier en wacht: overdag zit hij doodstil onder overhangende takken, maar zodra het licht wegzakt komt hij naar het open water. Zoek eerst de witte oogring, die in schemerlicht langer zichtbaar blijft dan welk ander kenmerk ook. Een paartje dat samen hoog uit een poel opvliegt en wegdraait, kan alleen pāteke zijn — de andere twee talingen van het complex komen niet van de grond.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de wereldlijst, en in Nieuw-Zeeland geklasseerd als 'nationally increasing': de aantallen stijgen, maar vanaf een zeer laag niveau, met een schatting van vijftienhonderd tot vijfentwintighonderd vogels in 2011. De achteruitgang kwam door hermelijnen, katten, ratten en honden, door het droogleggen van laaglandmoerassen en door aanrijdingen. Het herstel leunt op fokken in gevangenschap met uitzetting op predatorvrije eilanden en in omheinde reservaten. Twee zorgen blijven: de genetische basis van de kweekvogels is smal, want de stamouders kwamen bijna allemaal van Great Barrier Island, en kruising met de uitgezette wilde eend (Anas platyrhynchos) vervuilt plaatselijk de populatie.
Wetenschappelijke naam
Anas chlorotis | Gray, 1845
G.R. Gray beschreef de soort in 1845 als Anas chlorotis, in het vogeldeel van de Zoology of the Voyage of H.M.S. Erebus and Terror, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Anas is het Latijnse woord voor eend. chlorotis is gevormd uit het Griekse khlōros, 'groen', en ōtis, 'geoord', dus 'groenoor', naar de groene glans achter het oog van het mannetje. De typelocatie is niet nader bepaald dan Nieuw-Zeeland. De Māori-naam pāteke is tegenwoordig ook in het Engels de gangbare naam, juist om hem van de twee vleugellamme eilandtalingen te onderscheiden.



