Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Bulwers stormvogel

Bulwers stormvogel | Bulweria bulwerii

Bulwer's Petrel | Petrel de Bulwer

Bulwers stormvogel is een klein, geheel roetbruin buisneusje met lange smalle vleugels en een opvallend lange, spits toelopende staart, dat laag en grillig over het water fladdert als een vleermuis. Het is een vogel van de tropische oceanen die in dit kaartvenster alleen als dwaalgast verschijnt — maar het aantal waarnemingen voor oostelijk Australië neemt toe.

Bulwers stormvogel (Bulweria bulwerii)
Foto: Jérémie Silvestro (If you can improve this photo development, ask me the RAW .) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij volledig. In de broedkolonie, ver buiten dit gebied, roept hij 's nachts vanuit de holte onder de rotsen: een diep, blaffend en hoestend koq-koq-koq, urenlang herhaald, dat meer aan een kikker of een hond doet denken dan aan een zeevogel.

Luister: ZangXC619771

Opname: Marcel Gil Velasco — CC BY-NC-SA 4.0 · La Graciosa, Las Palmas, Canarias, Spain · xeno-canto

Herkenning

Zesentwintig tot achtentwintig centimeter en nog geen honderd gram: het kleinste geheel donkere buisneusje dat je hier kunt tegenkomen. Het kleed is egaal roetbruin, met als enige tekening een bleke, lichtbruine diagonale band over de bovenvleugeldekveren, die op afstand als een vage streep oplicht. De vleugels zijn lang, smal en spits, de staart is lang en loopt in normale vlucht in een wig of zelfs één punt uit. De snavel is zwart en kort met zware, sterk uitstekende neusbuizen. De vlucht verraadt hem het best: laag boven het oppervlak, grillig, licht en vleermuisachtig, met losse vleugelslagen afgewisseld met korte snelle glijvluchten en plotselinge richtingveranderingen. Nergens wit.

Verwarrings­soorten

De donkere stormvogeltjes zijn kleiner, hebben kortere vleugels en tikken met de poten over het wateroppervlak in plaats van weg te glijden. De wigstaartpijlstormvogel (Ardenna pacifica) heeft ook een wigstaart, maar is bijna twee keer zo lang, vliegt op stijve, hoog gehouden vleugels met trage bogen en heeft een bleke snavel. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) is fors groter en toont een zilverwitte baan op de ondervleugel. Van de donkere Pterodroma-stormvogels — langvleugelstormvogel (Pterodroma macroptera), Solanders stormvogel (Pterodroma solandri) — scheidt hem het formaat, de veel lichtere bouw en de lange staart; die soorten hebben een korte, stompe staart en een veel zwaardere snavel. Wie in Australische wateren een klein, geheel donker vogeltje met een lange staart laag ziet zwenken, moet in de eerste plaats aan deze soort denken, maar hoort dat met een foto te onderbouwen.

Leefgebied

Warm, diep oceaanwater, meestal ver van land, waar hij 's nachts kleine inktvis, lantaarnvisjes en oppervlaktekreeftjes pikt. Broeden doet hij in kolonies in rotsspleten, holtes onder stenen en lavabuizen op tropische eilanden; in het kaartvenster van deze gids broedt hij nergens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Dwaalgast. De dichtstbijzijnde broedplaatsen liggen ver in de tropische Stille Oceaan (Kiribati, de Marquesas, Hawaii, de Bonin-eilanden). In Australië zijn er losse waarnemingen uit Noordwest-Australië, uit Victoria (1984) en uit noordoostelijk Australië (1989), gevolgd door Queensland-waarnemingen in 2013, 2018 en 2020; in de Tasmanzee werden tussen 24 januari en 8 maart 2020 vijf vogels gezien, ongeveer tweeduizend kilometer ten zuiden van het gewone verspreidingsgebied — vermoedelijk geen toeval maar een reactie op een voedselrijke situatie met aasvis en walvissen, en mogelijk een teken van een zuidwaartse verschuiving. Voor Nieuw-Zeeland zijn er slechts twee aanvaarde gevallen: een strandvondst bij Te Horo in januari 1998 en een levende vogel op New Brighton Beach bij Christchurch in januari 2014. Eén verzwakte vogel belandde in februari 2020 zelfs op het balkon van een club in Cronulla bij Sydney en werd later voor de kust van Darwin vrijgelaten.

  • Zomergast (broedt hier niet)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Reken er niet op. De realistische kans is een pelagische tocht in de warme maanden ver uit de kust van Queensland of Noord-West-Australië, of een boot in de Tasmanzee in een jaar met veel warm water; zoek dan naar het kleine, donkere, langstaartige silhouet dat vlak boven de golven fladdert in plaats van te glijden. Fotografeer alles wat erop lijkt: het oordeel valt bijna altijd pas achteraf, op de staartvorm en de bleke vleugelband.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de soort broedt in grote aantallen verspreid over drie oceanen, met een wereldpopulatie in de honderdduizenden. Op de kolonies zijn ratten en katten de hoofdbedreiging, en op enkele eilanden ook lichtvervuiling die uitvliegende jongen desoriënteert; in dit kaartvenster speelt instandhouding voor deze soort geen rol, omdat hij er niet broedt.

Wetenschappelijke naam

Bulweria bulwerii | (Jardine & Selby, 1828)

Jardine en Selby beschreven de soort in 1828 als Procellaria bulwerii; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Zowel het epitheton als de geslachtsnaam eren James Bulwer (1794–1879), Engels geestelijke en natuuronderzoeker, die het eerste exemplaar op Madeira verzamelde; Madeira is dan ook de typelocatie. Het geslacht Bulweria werd in 1843 door Bonaparte ingevoerd.