Alle soortenGenten en aalscholversAalscholvers › Campbellaalscholver

Campbellaalscholver | Leucocarbo campbelli

Campbell Shag | Cormorán de la Campbell

De campbellaalscholver is de blauwoogaalscholver van Campbelleiland, het zuidelijkste van de Nieuw-Zeelandse subantarctische eilanden, en broedt nergens anders. Hij is de kleinste en lichtste van de groep: zwart met groen- en blauwglans op kop en hals, wit van onderen, en met een gele lijn boven de mondhoek die naar beneden toe in rood overgaat.

Campbellaalscholver (Leucocarbo campbelli)
Foto: lobotaniser — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Weg van de kolonie is hij stil. In de kolonie blaft het mannetje bij de balts — een hard, kort ark! ark! met opgeheven snavel — en ratelt daartussen met een droog tikken. Het vrouwtje blijft stil of blaast zacht. In een zeegrot, waar deze soort graag nestelt, kaatst dat geblaf tegen de wanden en draagt het ver over het water.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote zeeaalscholver van ruim zestig centimeter en anderhalf tot twee kilo, dus duidelijk lichter gebouwd dan de meeste verwanten. Kop en hals zijn zwart met een metaalgroene en blauwe glans, de onderdelen wit, en over de vleugel loopt een witte band. In broedtijd rijst een hoge zwarte kuif op de kop, wordt de gezichtshuid donkerpaars tot roodoranje, en is het beste kenmerk de gele streep boven de mondspleet die naar onderen in rood overloopt. De voeten zijn bleekroze. Knobbels boven de snavelbasis ontbreken. Jonge vogels zijn dofbruin waar de ouders zwart zijn, zonder kuif en met bleke gezichtshuid.

Verwarrings­soorten

De aucklandaalscholver (Leucocarbo colensoi) is bijna niet van hem te scheiden en even lang, maar zwaarder gebouwd en met een magentaroze oogring in plaats van de geel-naar-rood verlopende mondstreep; hij broedt zeshonderd kilometer noordelijker op de Aucklandeilanden, en de twee komen niet bij elkaar voor. De bounty-aalscholver (Leucocarbo ranfurlyi) is beduidend groter en heeft oranjegele gezichtshuid; de keizeraalscholver (Leucocarbo atriceps) van Macquarie en de wrattenaalscholver (Leucocarbo carunculatus) uit de Marlborough Sounds dragen oranje wratten boven de snavel, die hier ontbreken. Onslows aalscholver (Leucocarbo onslowi) en de otagoaalscholver (Leucocarbo chalconotus) horen bij andere eilanden respectievelijk de Otago-kust. Het eiland waarop u staat is bij deze groep het beslissende kenmerk. De Chatham-aalscholver (Phalacrocorax featherstoni) is grijs in plaats van bont en hoort in een ander geslacht.

Leefgebied

Ondiep, koud kustwater rond Campbelleiland, waar hij dicht bij de rotskust op de bodem duikt. Broeden doet hij van november tot februari in kolonies van maximaal ongeveer honderdvijftig nesten, in zeegrotten en op richels van de kliffen; de nesten zijn kegels van wier, gras en guano. De tussockhellingen boven de kolonies gebruikt hij om te rusten en te drogen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen Campbelleiland en de omliggende rotsen en eilandjes — Dent, Jeanette Marie, de Courrejolles-kaap — zo'n zevenhonderd kilometer ten zuiden van het Zuidereiland. Hij trekt niet, en buiten het eilandenwater is hij vrijwel niet vastgesteld. Op het Nieuw-Zeelandse vasteland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Alleen bereikbaar met een subantarctische cruise. Vaar langs de noordwestkust bij Northwest Bay en de Courrejolles-kaap en zoek de vogels op de lage richels en in de ingangen van de zeegrotten; het geblaf verraadt een bezette grot voordat u de vogels ziet. Kijk in de kijker naar de mondhoek: geel dat naar beneden in rood overgaat, met een gladde snavelbasis zonder knobbels, maakt de soort zeker.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), opnieuw vooral vanwege het uiterst kleine broedgebied en niet vanwege een duidelijke afname; nationaal geldt de soort als van nature schaars en het aantal lijkt stabiel. De laatste brede schatting stamt uit 1975 en kwam op ongeveer tweeduizend paren en achtduizend vogels, mogelijk een onderschatting doordat het broedseizoen zich over maanden uitsmeert. De ingevoerde roofdieren zijn verdwenen: verwilderde katten waren eind jaren tachtig al weg en de bruine ratten werden in 2001 uitgeroeid, destijds de grootste rattenuitroeiing ter wereld. Subantarctische jagers pakken af en toe een ei of jong, maar dat weegt licht; het echte risico is dat één zware storm, olieramp of ziekte de hele soort tegelijk treft.

Wetenschappelijke naam

Leucocarbo campbelli | (Filhol, 1878)

Filhol beschreef de soort in 1878 als Urile campbelli; door de verplaatsing naar Leucocarbo staan auteur en jaartal tussen haakjes. Henri Filhol was de natuuronderzoeker van de Franse expeditie die in 1874 vanaf Campbelleiland de Venusovergang waarnam, en het epitheton verwijst eenvoudig naar dat eiland, dat zelf naar het Sydneyse handelshuis Campbell & Co. is genoemd. Het geslacht Leucocarbo (Bonaparte, 1857) betekent 'witte aalscholver', uit het Griekse leukos en het Latijnse carbo. De typelocatie is Campbelleiland.