Alle soortenGenten en aalscholversAalscholvers › Keizeraalscholver

Keizeraalscholver | Leucocarbo atriceps

Imperial Shag | Cormorán imperial

De keizeraalscholver is de grootste van de blauwoogaalscholvers en de enige die niet aan Nieuw-Zeeland vastzit: hij broedt rond de hele subantarctische ring, van Vuurland en Zuid-Georgië tot het Antarctisch Schiereiland, en binnen het kaartvenster van deze gids op het Australische Macquarie-eiland. Hij is bont zwart-wit, met een felblauwe oogring en oranje knobbels boven de snavelbasis.

Keizeraalscholver (Leucocarbo atriceps)
Foto: Stefan Brending ( 2eight ) — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij. In de kolonie blaft en tikt het mannetje bij de balts, met de snavel schuin omhoog en de kuif gespreid, terwijl het vrouwtje sist. Op een dichtbezette rots klinkt dat als een voortdurend, laag geroezemoes van blaffen, sissen en het klepperen van snavels, met daarboven het aanhoudende gepiep van de jongen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse zeeaalscholver van zeventig tot bijna tachtig centimeter en tot ruim drie kilo, met glanzend zwarte bovendelen en een witte keel, borst en buik; de hoeveelheid wit op wang en oorstreek verschilt per ondersoort. Over de vleugel loopt een witte band. Broedvogels dragen een opstaande zwarte kuif, een ring van kaal blauw huid rond het oog en een of twee oranje tot oranjegele knobbels boven de snavelbasis — de caruncles die deze groep zijn naam geven. De gezichtshuid is bruinoranje, de voeten roze tot paarsgrijs. Jonge vogels zijn bruin waar de ouders zwart zijn, zonder kuif en zonder knobbels.

Verwarrings­soorten

Binnen het kaartvenster is het broedeiland doorslaggevend: alleen op Macquarie en de rotsen Bishop and Clerk broedt deze soort, en daar broedt geen andere blauwoogaalscholver. Van de Nieuw-Zeelandse verwanten missen de aucklandaalscholver (Leucocarbo colensoi), de campbellaalscholver (Leucocarbo campbelli) en de bounty-aalscholver (Leucocarbo ranfurlyi) alle drie de knobbels boven de snavel, en ze zijn kleiner. De wrattenaalscholver (Leucocarbo carunculatus) heeft wél knobbels, maar die zijn geel in plaats van oranje, de oogring is kobaltblauw en de vogel broedt vierduizend kilometer noordelijker in de Marlborough Sounds. Onslows aalscholver (Leucocarbo onslowi) heeft oranjerode knobbels maar donkerpaarse gezichtshuid en zit op de Chathams; de otagoaalscholver (Leucocarbo chalconotus) kent een bronskleurige morfe en zit langs de Otago-kust. De Chatham-aalscholver (Phalacrocorax featherstoni) is grijs, slank en hoort in een ander geslacht.

Leefgebied

Koud, ondiep kustwater en het continentaal plat rond de broedeilanden, waar hij in groepen op de bodem naar vis duikt, vaak dieper dan vijftig meter. Hij broedt in kolonies op blootgestelde rotskusten en lage kliftoppen, met lage kegelvormige nesten van planten, modder en guano. In Zuid-Amerika gebruikt hij ook binnenmeren, maar in het subantarctische deel van zijn areaal is hij strikt een kustvogel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster van deze gids alleen Macquarie-eiland en de rotsen Bishop and Clerk, ongeveer vijftienhonderd kilometer ten zuidoosten van Tasmanië — Australisch gebied, en de enige plek in Australië waar een blauwoogaalscholver broedt. Op Nieuw-Zeeland zelf is hij dwaalgast. Daarbuiten, ruim voorbij de kaart, loopt zijn areaal van zuidelijk Zuid-Amerika via de Falklandeilanden, Zuid-Georgië en de Zuidelijke Orkney- en Shetlandeilanden tot het Antarctisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De seizoenskleur is per staat, provincie of land gemeten: de waarnemingen per maand, gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar in diezelfde maand. Een gebied heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Hoe donker een gebied is, volgt uit de waarnemingen van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Macquarie-eiland zijn de kolonies langs de oostkust en bij Sandy Bay het gemakkelijkst: zoek de lage nestkegels op rotsplaten vlak boven de vloedlijn, vaak naast koningspinguïns. Kijk in de kijker eerst naar de snavelbasis — twee oranje knobbels en een blauwe oogring maken een blauwoogaalscholver hier meteen deze soort. Op zee jaagt hij in losse groepen die samen duiken en weer bovenkomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) over het hele, zeer uitgestrekte areaal, maar de vogels binnen dit kaartvenster vormen een kleine, geïsoleerde populatie: op Macquarie liepen de tellingen terug van ongeveer 660 broedparen op negentien plekken in de jaren zeventig naar 472 paren op elf plekken in oktober 2003, met daarnaast een honderdtal paren op Bishop and Clerk. Zware stormen zijn de grootste doodsoorzaak — bij een aanhoudende storm kan negentig procent van de jongen omkomen, deels door onderkoeling en deels door verhongering als de ouders niet kunnen vissen. Subantarctische jagers pakken eieren en jongen; de uitroeiing van verwilderde katten en scheepsratten op Macquarie heeft die druk verminderd.

Wetenschappelijke naam

Leucocarbo atriceps | (King, 1828)

Phillip Parker King beschreef de soort in 1828 als Phalacrocorax atriceps, naar vogels die hij tijdens de opmeting van de Straat Magellaan verzamelde; door de verhuizing naar Leucocarbo staan auteur en jaartal tussen haakjes. atriceps betekent 'zwartkop', uit het Latijnse ater, 'zwart', en -ceps, 'met een kop'. Het geslacht Leucocarbo (Bonaparte, 1857) betekent 'witte aalscholver', uit het Griekse leukos en het Latijnse carbo. De typelocatie is de Straat Magellaan; de vogels van Macquarie behoren tot de ondersoort purpurascens (Brandt, 1837), 'purperachtig', naar de glans van het verenkleed.