Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Cape-yorkfluiter
Cape-yorkfluiter | Drymodes superciliaris
Northern Scrub Robin | Petroica matorralera norteña
De cape-yorkfluiter is een grote, langpotige vliegenvanger die niet in de struik maar op de bosbodem leeft: hij hipt en rent door de strooisellaag van het regenwoud van het noorden van Kaap York. In Australië komt hij alleen daar voor, in een gebied van enkele honderden kilometers lang.
Geluid
Heldere, weemoedige fluittonen, vaak twee of drie stijgende noten achter elkaar, met stiltes ertussen; het geluid is moeilijk te plaatsen doordat het door het gesloten bos heen van alle kanten lijkt te komen. Daarnaast een hard, ratelend scheldgeluid wanneer een vogel verstoord wordt. Hij roept vooral in het eerste licht en weer tegen de avond.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Twintig tot drieëntwintig centimeter, met lange bleke poten en een lange staart die hij vaak licht opgericht houdt. De bovendelen zijn warm roodbruin met een rossige stuit en staart, de onderdelen vuilwit. Het gezicht draagt de tekening waarop alles rust: een zwarte streep door het oog en daarboven een scherpe witte wenkbrauwstreep. Over de donkere vleugel lopen twee witte strepen. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit. Op de grond beweegt hij met korte sprongen en houdt dan telkens stil, waarbij hij de vleugels even schokt.
Verwarringssoorten
De enige geslachtsgenoot, de malleefluiter (Drymodes brunneopygia), leeft duizenden kilometers zuidelijker in de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) van zuidelijk Australië; verwarring in het veld is uitgesloten, maar de twee zijn in bouw, houding en gedrag onmiskenbaar familie: allebei lange poten, lange staart en een leven op de bosbodem. Binnen het regenwoud van Kaap York is de witteugelvliegenvanger (Eopsaltria leucops) de andere kleine bruinachtige vogel van de onderlaag, maar die is veel kleiner, heeft een wit gezicht en gele onderdelen en zit dwars op verticale stammetjes in plaats van op de grond. De vogels van Nieuw-Guinea, die vroeger tot deze soort werden gerekend, worden tegenwoordig meestal als een eigen soort behandeld, Drymodes beccarii; de Australische populatie staat daarmee op zichzelf.
Leefgebied
Regenwoud, moessonbos en lianenstruweel op Kaap York, en het galerijbos langs kreken dat daarmee samenhangt. Wat hij nodig heeft is een dikke, ononderbroken laag blad op de bodem waarin hij kan zoeken, met daarboven een gesloten kronendak dat die laag vochtig houdt. Waar de strooisellaag is omgewoeld of weggebrand, verdwijnt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het noordoosten van het schiereiland Kaap York in het uiterste noorden van Queensland, met het zwaartepunt in het regenwoud van het Iron Range- en McIlwraith Range-gebied. Verder naar het zuiden wordt hij snel zeldzamer. Standvogel: een paar houdt jaarrond hetzelfde stuk bos en verplaatst zich nauwelijks. Buiten Australië leven verwante vogels op Nieuw-Guinea, maar die worden meestal apart gehouden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in het eerste licht stil op een bospad staan en luister naar de fluittoon; de vogel loopt vaak op enkele meters afstand het pad over en blijft dan even staan. Let op het geluid van het strooisel: het omwoelen van bladeren verraadt hem eerder dan beweging, want in het halfdonker van de bodem valt zijn bruine rug nauwelijks op. Zoek laag, want hij vliegt zelden hoger dan een meter of twee, en dan alleen om op een lage tak uit te rusten.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar het Australische areaal is klein en dat maakt de populatie hier gevoelig. De belangrijkste plaatselijke druk komt van verwilderde varkens, die de strooisellaag omwoelen waarin de vogel voedsel zoekt en op de grond broedt, en van branden die vanaf de savanne het regenwoud binnendringen en de bosrand terugdringen. Verwilderde katten nemen vogels weg die op de grond leven. Bescherming van de regenwoudblokken op Kaap York en beheersing van varkens zijn hier de werkzame maatregelen.
Wetenschappelijke naam
Drymodes superciliaris | Gould, 1850
John Gould beschreef de soort in 1850 in Contributions to Ornithology, naar een vogel van Kaap York in Queensland. superciliaris is Latijn voor met wenkbrauw, van supercilium (wenkbrauw), en slaat op de scherpe witte streep boven het oog die het beste kenmerk van de soort is. Het geslacht Drymodes voerde Gould in 1841 in, uit Grieks drymodes (bosachtig, van het woud), naar de bosbodem waarop deze vogels leven. De Nederlandse naam verbindt het verspreidingsgebied met de heldere fluittoon.


