Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Groenstuitvliegenvanger

Groenstuitvliegenvanger | Eopsaltria australis

Eastern Yellow Robin | Petroica amarilla

De groenstuitvliegenvanger is de bekendste gele vliegenvanger van Australië en voor veel mensen aan de oostkust gewoon de vogel in de tuin: grijze kop, wit keeltje, en van de borst tot onder de staart helder geel. Hij klemt zich zijdelings tegen een stam, kijkt met grote donkere ogen naar de bodem en laat zich met gemak van dichtbij bekijken. Hij is bovendien de eerste die 's ochtends zingt en de laatste die 's avonds zwijgt.

Groenstuitvliegenvanger (Eopsaltria australis)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks scherpe, hoge, piepende fluittonen — tjop tjop tjop — die ruim een halfuur voor zonsopgang begint en soms lang na zonsondergang nog eens klinkt; het is een van de allereerste geluiden van de Australische ochtend. Daarnaast een zacht, laag ratelend tsjrrr tussen partners en een hard, scherp scheldgeluid bij een slang of een kat. In de broedtijd is er een gedempte, gemengde zang waarin hij korte stukjes van andere soorten inlast.

Luister: ZangXC1166244

Opname: Romuald Mikusek — CC BY-NC-SA 4.0 · Prom Wildlife Walk (near Wilsons Promontory), South Gippsland Shire, Victoria, Australia · xeno-canto

Herkenning

Vijftien tot zestien centimeter en ruim twintig gram; een gedrongen vogel met een grote kop, grote donkere ogen en korte snavel. De kop, nek en bovendelen zijn grijs, de keel is wittig, en vanaf de bovenborst is het hele ondervlak helder geel. De stuit is de sleutel: bij de zuidelijke vogels olijfgroen, bij de noordelijke vorm chrysorrhoa helder geel. Vleugel en staart zijn grijsbruin, de poten zijn lang voor de tak-en-grondjacht. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn bruin met roestige vlekken en missen het geel.

Verwarrings­soorten

Binnen het geslacht loopt de scheiding vooral over de hoeveelheid grijs van voren en over het areaal. De grijsborstvliegenvanger (Eopsaltria griseogularis) uit het westen en Zuid-Australië heeft een grijze keel én een grijze borst, zodat het geel pas op de buik begint; bij deze soort is alleen de keel wittig en begint het geel al hoog op de borst. Er is nauwelijks overlap. De bleekgele vliegenvanger (Eopsaltria capito), die in het oosten wél naast hem voorkomt, is kleiner, valer en bleker geel, heeft een opvallende lichte oogring en een bleke snavelbasis, en houdt zich strikt aan regenwoud en lianenstruweel, terwijl deze soort overal zit. De grijs-witte vliegenvanger (Eopsaltria georgiana) is geheel wit van onderen en alleen westelijk. De gouden fluiter (Pachycephala pectoralis) is groter, zwaarder van snavel en heeft bij de man een zwarte borstband.

Leefgebied

Vrijwel elk beboste terrein met een struik- of stronkenlaag: nat en droog eucalyptusbos, open bos, regenwoudrand, kreekbegroeiing, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), kustduinstruweel — en in bewoond gebied de tuin, het stadspark en de begraafplaats, zolang er schaduw en een open bodem is. Hij jaagt vanaf een lage, verticale zitplaats tegen een stam en duikt op prooi in het strooisel. Het kommetjesnest van bast en spinrag, afgewerkt met korstmos, staat in een vork; bij het grootbrengen helpen vaak jongen van eerdere legsels mee.

Verspreiding en trek

De oostelijke rand van het continent, van het noorden van Queensland bij Cooktown langs de hele oostkust zuidwaarts door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in het zuidoosten van Zuid-Australië. Landinwaarts reikt hij tot waar de bomen ophouden. Het is verreweg de wijdst verspreide soort van het geslacht en hij komt van zeeniveau tot hoog in het Groot Australisch Scheidingsgebergte voor. Hij is standvogel met een vast territorium; alleen in de bergen zakken sommige vogels in de winter wat lager.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Je hoeft er niets voor te doen behalve vroeg opstaan. In elk kustpark of bosreservaat tussen Cairns en Melbourne is dit de vogel die je als eerste hoort en die vervolgens op een stam vlak naast het pad blijft zitten. Gebruik hem om je oog te ijken: bekijk waar precies het geel begint en welke kleur de stuit heeft als hij wegvliegt. Met dat beeld in het hoofd herken je later in het westen de grijsborstvliegenvanger (Eopsaltria griseogularis) meteen aan het veel grotere grijze veld op de borst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is algemeen, wijd verbreid en redt zich goed in tuinen, parken en bosrestanten; een schaduwrijke tuin met een open bodem en wat struiken houdt hem moeiteloos. Toch is er in de droge, versnipperde landbouwgebieden binnenlands van de kustgordel een gestage achteruitgang gemeld, met dezelfde oorzaak als bij zoveel bosvogels: te kleine bosrestanten, geen struiklaag, en overheersing door de tuinhoningeter (Manorina melanocephala), die andere vogels uit versnipperd bos verjaagt. Katten en te frequent brandbeheer doen de rest.

Wetenschappelijke naam

Eopsaltria australis | (Shaw, 1790)

Shaw beschreef de vogel in 1790 als Motacilla australis, naar exemplaren uit Nieuw-Zuid-Wales; omdat hij later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Eopsaltria is gevormd uit Grieks eos (dageraad) en psaltria (harpspeelster) — de dageraadszangeres, wat bij geen enkele soort van het geslacht zo goed past als bij deze. australis is Latijn voor zuidelijk. De Nederlandse naam noemt de olijfgroene stuit van de zuidelijke vogels, precies het kenmerk waarin de noordelijke vorm chrysorrhoa — de goudgestuite — van hen verschilt.