Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Eucalyptushaantje
Eucalyptushaantje | Smicrornis brevirostris
Weebill | Gerigón piquicorto
Het eucalyptushaantje is de kleinste zangvogel van Australië: acht tot negen centimeter en ongeveer zes gram, met een opvallend kort, bleek snaveltje. Het leeft in de buitenste bladeren van de boomkruin, waar het onvermoeibaar naar schildluizen zoekt, en is over vrijwel het hele vasteland te vinden. Wie het niet ziet, hoort het — het geluid hoort bij het droge eucalyptusbos zoals het ritselen van de bladeren zelf.
Geluid
Een heldere, muzikale reeks van vijf tot zeven tonen, klassiek weergegeven als wie-bit of wie-willy-wie-tie, met een stijgende zwaai aan het eind. Het geluid is hard voor zo'n klein vogeltje en draagt over open woodland honderden meters ver, wat de vogel makkelijker te horen dan te zien maakt. Zingen gebeurt het hele jaar door en ook midden op een hete dag, als vrijwel alles andere zwijgt. In een foeragerende groep klinken daarnaast dunne, hoge contactpiepjes.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Acht tot negen centimeter, het kleinste Australische zangvogeltje, met een bolle kop en een opvallend kort, stomp, bleek snaveltje — het beste kenmerk. Boven dof grijsbruin op de kop en olijfbruin op de rug, onder lichtgeel tot bleek beige. De iris is bleek crème tot wit, met daarboven een vage lichte wenkbrauwstreep; de staart is bruin met een zwarte band en een witte punt. Man en vrouw zijn gelijk. Noordelijke vogels zijn bleker en geler, zuidelijke vaal lichtbruin. Jonge vogels hebben een geler snaveltje en een grijzer oog.
Verwarringssoorten
Doornsnavels van het geslacht Acanthiza zijn de vaste verwarringskandidaten: ze zijn allemaal groter en hebben een fijn gestreept of gevlekt voorhoofd, dat het eucalyptushaantje volledig mist, en een langere, spitsere snavel. De gele doornsnavel (Acanthiza nana) lijkt het meest, maar is groter, gelig op de keel en heeft een donker oog met een vage oogring. Mangrovezangers van het geslacht Gerygone zijn eveneens groter en hebben een rood tot oranje oog en een lange dunne snavel. Doorslaggevend blijft de snavel: kort, dik en bleek betekent eucalyptushaantje.
Leefgebied
Vrijwel elk beboste terrein behalve het natste bos: open eucalyptus-woodland, droog schraal eucalyptusbos, mallee, mulga- en acaciastruweel en rivierbos langs kreken. Hij foerageert in de buitenste twijgen en bladeren van de kroon en de middenlaag, gewoonlijk in paren of losse groepjes tot acht vogels, vaak in gemengde trekkende foerageergroepen met doornsnavels. In het droge binnenland houdt hij zich aan de boomlinten langs kreken. Parken en tuinen met volwassen eucalyptussen worden eveneens bewoond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele Australische vasteland, van de tropische noordkust tot de zuidkust en van de westkust tot de oostkust, met inbegrip van grote delen van de aride binnenlanden zolang er bomen staan. Hij ontbreekt op Tasmanië. Vier ondersoorten verdelen het areaal over noord, west, midden en oost. Alle populaties zijn standvogels: ze blijven jaarrond in hetzelfde gebied en er is geen seizoenstrek, al zwerven groepjes buiten de broedtijd binnen een ruimer gebied rond.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem met de oren, niet met de ogen. Loop in droog eucalyptusbos en wacht op het heldere wie-willy-wie-tie; volg het geluid naar de buitenste bladermassa van een gezonde eucalyptus en zoek naar het kleinste bewegende puntje in het gebladerte. Een verrekijker op de buitenrand van de kroon en geduld zijn genoeg. Let vooral op de snavel: die is in één blik korter en botter dan bij welke doornsnavel ook.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is algemeen en verspreid over vrijwel het hele vasteland, en het aantal geschikte woodlands is nog groot. Lokaal loopt zij terug waar eucalyptus-woodland voor landbouw is geruimd of waar oude bomen zonder opvolging verdwijnen, want zij is aangewezen op gezond, insectenrijk gebladerte. Herstel van woodland-corridors in landbouwgebied komt haar direct ten goede. Broedparasitisme door de bronskoekoek Chrysococcyx basalis hoort bij het normale leven van de soort en vormt geen bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Smicrornis brevirostris | (Gould, 1838)
Gould beschreef de vogel in 1838 als Psilopus brevirostris; omdat hij in 1843 naar het geslacht Smicrornis werd overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Smicrornis is gevormd uit Grieks smikros (klein) en ornis (vogel), en brevirostris uit Latijn brevis (kort) en rostrum (snavel) — de wetenschappelijke naam betekent dus letterlijk ‘kortsnavelig vogeltje’. De Engelse naam Weebill werd in 1926 door de RAOU vastgelegd, in plaats van oudere namen als short-billed smicrornis. De Nederlandse naam verwijst naar het leefgebied, het eucalyptusbos.



