Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Franklins meeuw
Franklins meeuw | Leucophaeus pipixcan
Franklin's Gull | Gaviota chica
Franklins meeuw is een kleine, donkermantelige kapmeeuw uit het binnenland van Noord-Amerika die tot langs de Zuid-Amerikaanse Pacifische kust overwintert, en die op die enorme reis af en toe in Australië belandt. In deze gids is hij een zeldzame dwaalgast: over de tien jaar 2015–2024 telt de gids vijftien gevallen, alle in Australië. In zomerkleed is hij onmiskenbaar, met een gitzwarte kap, brede witte oogsikkels en een donkerrode snavel.
Geluid
Bij ons zelden te horen, want een dwaalgast zwijgt meestal tussen de witkopmeeuwen in. In groepen en op de broedgronden klinkt een nasaal, wat klaaglijk wiej-èh en een herhaald kuk-kuk-kuk, hoger en zachter dan het schallende gelach van de amerikaanse lachmeeuw. Alarmeren doet hij met een kort, scherp kek. Wie een verdachte meeuw hoort roepen mag dat gebruiken: de stem is beduidend ijler dan die van alle inheemse meeuwen hier.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine meeuw van rond de vijfendertig centimeter met een middelgrijze mantel, een korte, rechte, donkerrode tot zwartrode snavel en donkerrode poten. In zomerkleed is de kap gitzwart en staan er brede witte halve maantjes boven en onder het oog die elkaar bijna raken. Het beslissende kenmerk zit in de vleugelpunt: over het einde van de buitenste handpennen loopt een zwarte band die aan de binnenkant door een witte streep van het grijs gescheiden wordt en aan de buitenkant in witte veertoppen eindigt — die witte scheiding heeft geen andere meeuw van dit gebied. In winterkleed houdt hij een opvallende, scherp afgetekende donkere halve kap over achterhoofd, oorstreek en oog, terwijl het voorhoofd wit blijft. Hij is bovendien de enige meeuw die tweemaal per jaar volledig ruit, zodat zijn kleed altijd gaaf oogt.
Verwarringssoorten
De amerikaanse lachmeeuw (Leucophaeus atricilla) is de enige echte verwarring: de andere Amerikaanse dwaalgast met een zwarte kap. Die is groter en langgerekter, met een duidelijk langere, zwaardere en licht neerwaarts gebogen snavel, langere poten en een donkerder leigrijze mantel, en zijn vleugelpunt is een egaal zwarte wig zónder witte scheiding, hooguit met minieme witte toppen. In winterkleed is het verschil het gemakkelijkst: Franklins meeuw houdt die scherp begrensde donkere halve kap, de lachmeeuw heeft alleen een vage grijze waas over achterhoofd en nek. De witkopmeeuw (Chroicocephalus novaehollandiae), waarmee hij hier bijna altijd in één groep staat, is bleker grijs, heeft een spierwitte kop zonder enig spoor van een kap en een fel oranjerode snavel en poten. De zwartsnavelmeeuw (Chroicocephalus bulleri) is nóg bleker, heeft een lange dunne zwarte snavel en veel wit in de vleugelpunt, maar krijgt evenmin ooit een zwarte kap.
Leefgebied
Als dwaalgast neemt hij wat er is: estuaria en slikplaten, rioolwaterbekkens en zoutpannen, zoetwaterplassen en stuwmeren achter de kust, en stranden waar meeuwen samenkomen. In zijn eigen broedgebied is hij juist een vogel van het binnenland — de moerassen en rietvelden van de prairies — en die voorkeur voor ondiep zoet water zie je hier terug: hij hangt vaker rond een waterzuivering of een binnendijkse plas dan op open zee.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt volledig buiten het kaartvenster, in de prairiemoerassen van midden-Noord-Amerika, en overwintert langs de Pacifische kust van Zuid-Amerika. In Australië is hij een zeldzame maar niet uitzonderlijke dwaalgast: over 2015–2024 verscheen hij in vijf van de tien jaren, met vijftien gevallen en ruim honderd waarnemingen, verspreid over de zuidelijke helft van het continent. Uit Nieuw-Zeeland en van Norfolkeiland leverden diezelfde tien jaar geen enkele waarneming op. De meeste vogels duiken op in het Australische zomerhalfjaar en houden het dan vaak weken achtereen bij dezelfde meeuwengroep uit.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet als soort maar als afwijking. Loop een grote groep witkopmeeuwen bij een estuarium of een rioolwaterbekken systematisch af en let op één vogel met een donkerder mantel en een donker achterhoofd. Juist dat donkere achterhoofd blijft ook op honderd meter zichtbaar en is in winterkleed de betrouwbaarste ingang. Krijg je hem in de vlucht, kijk dan onmiddellijk naar de handpennen: de witte streep die het zwart van het grijs scheidt, sluit de zaak.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie in de miljoenen en een broedgebied dat voor een groot deel in beschermde prairiemoerassen ligt. De aantallen schommelen wel sterk met de waterstand: in droge jaren vallen de moeraskolonies droog en mislukt het broedseizoen op grote schaal, terwijl een reeks natte jaren de kolonies weer laat aanzwellen. Voor Australië en Nieuw-Zeeland is de soort geen beheervraagstuk — hij komt hier alleen bij toeval — en de bescherming die telt speelt zich af op de prairies en langs de Zuid-Amerikaanse overwinteringskusten, waar afwatering en kustontwikkeling de drukpunten zijn.
Wetenschappelijke naam
Leucophaeus pipixcan | (Wagler, 1831)
Wagler beschreef de soort in 1831 als Larus pipixcan; omdat ze later naar Leucophaeus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus is gevormd uit het Griekse leukos, 'wit', en phaios, 'donkergrijs' — wit lijf, donkere mantel. pipixcan is geen Latijn maar een Nahuatl-woord voor een vogel, overgenomen uit het zestiende-eeuwse Mexicaanse werk van Francisco Hernández; de typelocatie ligt dan ook in Mexico. De Nederlandse en de Engelse naam eren Sir John Franklin, de Britse marineofficier en poolreiziger, op wiens expedities de soort onder de aandacht van de wetenschap kwam.



