Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Amerikaanse lachmeeuw

Amerikaanse lachmeeuw | Leucophaeus atricilla

Laughing Gull | Gaviota reidora

De amerikaanse lachmeeuw is de meeuw van de Noord-Amerikaanse Atlantische kusten die zijn naam dankt aan een schaterende roep, en in dit kaartvenster een zeldzame maar hardnekkige dwaalgast: over 2015–2024 telt de gids achtentwintig gevallen, verdeeld over Australië, Nieuw-Zeeland en Norfolkeiland. Hij is middelgroot, donker leigrijs van mantel, met in zomerkleed een gitzwarte kap en een lange, licht neerwaarts gebogen donkerrode snavel.

Amerikaanse lachmeeuw (Leucophaeus atricilla)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het handelsmerk: een luide, dalende reeks schaterlachen, ha-ha-ha-haah-haah-haah, die op de Amerikaanse kusten hele havens vult en waaraan de soort haar naam ontleent. Daarnaast een langgerekt, klagend kaaah en een kort kuk bij onrust. Een eenzame dwaalgast hier roept zelden, maar wie het geluid eenmaal hoort weet onmiddellijk dat dit geen witkopmeeuw is — het is voller, lager en veel ritmischer.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote meeuw van bijna veertig centimeter, slank en langvleugelig, met een leigrijze mantel die op de kelpmeeuw en de diksnavelmeeuw na donkerder is dan die van elke andere meeuw hier. De snavel is lang, vrij zwaar en licht neerwaarts gebogen, donkerrood tot bijna zwart; de poten zijn donkerrood tot zwart. In zomerkleed draagt hij een gitzwarte kap met smalle, gebroken witte oogsikkels boven en onder het oog. De vleugelpunt is een egaal zwarte wig, zonder witte spiegels en zonder witte scheiding tussen zwart en grijs, hooguit met een smalle witte rand aan de veertoppen. In winterkleed is de kop wit met een vage, diffuse grijze waas over achterhoofd en nek. Vogels van het eerste jaar zijn bruingrijs met een brede zwarte staartband en een donkere aanzet van de kap.

Verwarrings­soorten

Franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan) is de directe tegenhanger — de andere Amerikaanse dwaalgast met zwarte kap — en is kleiner en compacter, met een korte rechte snavel, kortere poten, een blekere grijze mantel en, doorslaggevend, een witte streep die het zwart van de vleugelpunt van het grijs scheidt. Waar de lachmeeuw in winterkleed maar een vage grijze waas op het achterhoofd houdt, houdt Franklins meeuw een scherp afgetekende donkere halve kap. Tegenover de inheemse meeuwen valt hij vooral op door zijn donkere mantel: de witkopmeeuw (Chroicocephalus novaehollandiae) en de zwartsnavelmeeuw (Chroicocephalus bulleri) zijn licht- tot bleekgrijs en krijgen nooit een zwarte kap, terwijl de kelpmeeuw (Larus dominicanus) véél groter is, echt zwart van mantel en met een zware gele snavel.

Leefgebied

Kust en kustnabij water: estuaria en slikplaten, zandstranden, havens en pieren, rioolwaterbekkens en visafslagen. In zijn eigen areaal is hij bij uitstek de meeuw van drukke havensteden en badstranden, en hier gedraagt hij zich net zo. Een dwaalgast staat vrijwel altijd tussen de witkopmeeuwen op een strand, een steiger of een parkeerterrein aan zee, en niet op de open oceaan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt buiten het kaartvenster, langs de Atlantische en de Golfkust van Noord-Amerika en in het Caribisch gebied tot het noorden van Zuid-Amerika. Binnen dit kaartvenster is hij een zeldzame dwaalgast met een zekere regelmaat: over 2015–2024 achtentwintig gevallen en bijna tweehonderd waarnemingen, met Australië in vier van de tien jaren en zowel Nieuw-Zeeland als Norfolkeiland in één jaar; de meeste Australische meldingen komen van de oostkust. Dwaalgasten blijven vaak lang hangen — een vogel die zich bij een vaste meeuwengroep voegt kan daar maanden of zelfs opeenvolgende seizoenen terugkeren, zodat een deel van de waarnemingen dezelfde individuen betreft.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Werk dezelfde strandgroepen af als voor Franklins meeuw, maar zoek nu een grótere, langgerekte vogel: donkere mantel, lange donkere snavel met een lichte knik naar beneden, en in vlucht een geheel zwarte vleugelpunt zonder wit. Een vogel in winterkleed geeft zich weg door de combinatie donkere mantel plus donkere snavel bij een meeuw die verder op een witkopmeeuw lijkt. Kijk bij een langblijver ook naar de poten: donkerrood tot zwart, nooit het heldere oranjerood van de witkopmeeuw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie loopt in de honderdduizenden en is in Noord-Amerika sinds de bescherming aan het begin van de twintigste eeuw sterk hersteld — de soort was toen door de verenhandel bijna van de noordelijke kusten verdwenen. De knelpunten liggen tegenwoordig bij het broedhabitat: kwelders en lage zandeilanden die door kustbebouwing, zeespiegelstijging en stormvloeden verdwijnen, en plaatselijk verdringing door grotere meeuwen. Voor dit kaartvenster speelt geen van die zaken een rol; hier is en blijft hij een toevallige gast zonder eigen beheervraagstuk.

Wetenschappelijke naam

Leucophaeus atricilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus atricilla; omdat ze later naar Leucophaeus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Leucophaeus komt van het Griekse leukos, 'wit', en phaios, 'donkergrijs'. atricilla is samengesteld uit het Latijnse ater, 'zwart', en -cilla, een achtervoegsel dat uit motacilla was losgeweekt en ten onrechte als 'staart' werd opgevat — 'zwartstaart' dus, naar de zwarte staartband van de jonge vogel. Het beschreven exemplaar kwam uit de Bahama's. De Nederlandse gidsnaam voegt 'amerikaanse' toe omdat het woord lachmeeuw in Europa ook voor andere meeuwen in omloop is.