Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Diksnavelmeeuw

Diksnavelmeeuw | Larus pacificus

Pacific Gull | Gaviota de Tasmania

De diksnavelmeeuw is de grootste meeuw van Australië en komt nergens anders ter wereld voor. Hij is zwaar gebouwd, zwart van mantel, met een witte staart waar een brede zwarte band overheen loopt, en vooral met die kolossale gele snavel met rode punt waaraan hij zijn Nederlandse naam dankt. Het is een vogel van de zuidelijke rotskusten en de eilandjes daarvoor, en veel minder een vogel van de stad dan de andere meeuwen van het gebied.

Diksnavelmeeuw (Larus pacificus)
Foto: Peter Novacco ( Melbournian at en.wikipedia ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zwaarder en trager dan bij elke andere meeuw hier: een diepe, blaffende owk of kja-oek, los en herhaald vanaf een rots, een paal of een pier, en bij opwinding een reeks die aanzwelt tot rauw gekraai. Bij het nest klinkt een kort, grommend keelgeluid. Wie de hoge, gierende kreet van de witkopmeeuw in de oren heeft, hoort onmiddellijk dat dit een veel lagere stem is — het scheelt bijna een octaaf.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zeer grote meeuw van ruim zestig centimeter, wit op kop, hals en onderzijde, met een zwarte mantel en bovenvleugel en een smalle witte achterrand. De snavel is hét kenmerk: buitengewoon diep en zwaar, geel, met een uitgesproken hoek aan de onderkant en een rode punt op zowel de boven- als de ondersnavel. De staart is wit met een brede zwarte band over het einde. De poten zijn geel tot oranjegeel, het oog is bleek met een rode ring. Jonge vogels zijn egaal donkerbruin met een vuilroze, donker gepunte snavel die al even fors is, en doen er vier jaar over om volwassen te worden. Er zijn twee ondersoorten, pacificus in het zuidoosten en georgii in het zuidwesten; de verschillen zijn klein en in het veld zelden bruikbaar.

Verwarrings­soorten

De kelpmeeuw (Larus dominicanus) is de soort waarmee hij verward wordt, en die staat sinds de jaren vijftig op dezelfde Australische zuidkust. Twee punten beslissen. De snavel: bij de kelpmeeuw normaal zwaar en geel met alleen een rode vlek op de ondersnavel, bij de diksnavelmeeuw buitenmaats diep en rood op béíde snavelhelften. En de staart: bij de kelpmeeuw geheel wit, bij de diksnavelmeeuw wit met een brede zwarte eindband — bij een overvliegende vogel de snelste toets die er is. De mantel is bij beide zwart en helpt dus niet; de poten wel, geel tot oranjegeel tegenover olijfgroen. De witkopmeeuw (Chroicocephalus novaehollandiae) is half zo groot, lichtgrijs en rood aangezet en vormt geen serieus probleem. Een donkere jonge diksnavelmeeuw lijkt op zee wel op een bruine jager (Stercorarius antarcticus), maar die heeft witte vleugelflitsen en een heel ander, verend vliegbeeld.

Leefgebied

Rotskusten en zeekliffen, en vooral de rotsachtige eilandjes voor de kust, waar hij in losse groepjes of als enkel paar broedt. Daarbuiten gebruikt hij zandstranden, estuaria en de ondiepe zee boven het continentaal plat, waar hij achter vissersboten aankomt. Bij havens en visafslagen laat hij zich zien, maar hij volgt de mens veel minder dan de kelpmeeuw en de witkopmeeuw: op een vuilstort in het binnenland tref je hem vrijwel nooit aan.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Australië en gebonden aan de zuidkust: van ongeveer Shark Bay in West-Australië langs de Great Australian Bight en Zuid-Australië tot Victoria, Tasmanië en de eilanden in de Bass Strait, en oostwaarts uitdunnend langs Nieuw-Zuid-Wales tot het zuiden van Queensland. Tasmanië en de Bass Strait-eilanden vormen het bolwerk; ten noorden van Sydney is hij een zeldzaamheid. In Nieuw-Zeeland is hij een uitzonderlijke dwaalgast — de tellingen van deze gids kennen uit tien jaar één enkele waarneming, tegenover bijna honderdduizend uit Australië — en op Norfolk ontbreekt hij geheel.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga op een rotskop of een pier aan de zuidkust staan en kijk naar de snavel voordat je naar iets anders kijkt: geen andere meeuw van Australië heeft zo'n blok voor zijn kop. Hij vliegt zwaar en traag, met langzame slagen, en laat schelpdieren, krabben en zee-egels van hoogte op de rotsen vallen om ze te kraken — een gewoonte die hem verraadt voordat je hem goed gezien hebt. Tasmanië is de beste plek: daar is hij nog overal, en daar staat hij vaak alleen op een strand in plaats van in een meeuwengroep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en over het geheel genomen stabiel, maar het beeld is niet overal gelijk. Op het vasteland van het zuidoosten is hij achteruitgegaan sinds de kelpmeeuw zich daar vanaf de jaren vijftig vestigde: die soort is talrijker, broedt veel dichter opeen en neemt broedeilandjes over, en de afname van de diksnavelmeeuw rond Victoria en de Bass Strait wordt daaraan toegeschreven. Daarnaast verstoren bezoekers en losgelaten honden de broedeilandjes, verdrinken vogels in vistuig en gaan er exemplaren dood aan ingeslikt plastic en vishaken. In Tasmanië en in West-Australië gaat het onverminderd goed.

Wetenschappelijke naam

Larus pacificus | Latham, 1801

Latham beschreef de soort in 1802 als Larus pacificus, en in dat geslacht is ze gebleven, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Larus is de klassieke Latijnse naam voor een meeuw. pacificus betekent 'van de Stille Oceaan' — een ruime aanduiding voor een vogel die juist aan de zuidkust van Australië gebonden is en de eigenlijke Stille Oceaan nauwelijks bereikt. De typelocatie ligt aan de kust van Nieuw-Zuid-Wales, waar het materiaal van de vroege Britse vestiging vandaan kwam. De Spaanse gidsnaam, Gaviota de Tasmania, wijst naar het bolwerk van de soort.