Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Gevlekte struiksluiper
Gevlekte struiksluiper | Calamanthus fuliginosus
Striated Fieldwren | Sedosito estriado
De gevlekte struiksluiper is een zwaar gestreept bruin vogeltje van twaalf tot veertien centimeter dat zijn hele leven in lage, dichte begroeiing doorbrengt: kustheide, zoutkwelder, buttongrassveen en alpiene kruidenvelden. U ziet hem pas als hij in het voorjaar op een struiktop klimt om te zingen, met de staart rechtop, en verder eigenlijk nooit.
Geluid
Een krachtige, snorrende zang die veldwaarnemers weergeven als wit wit tsjie wit wit pie tsjoe, in het voorjaar voorgedragen vanaf een uitstekende twijg of een struiktop. Buiten die periode is de vogel grotendeels stil en hoort u hoogstens een scherp, kort alarmgeluid uit de vegetatie. De zang is het beste, en vaak het enige, bewijs dat de soort ergens zit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Twaalf tot veertien centimeter, licht bruin tot olijfbruin, over de hele bovenzijde én de borst zwaar zwart gestreept op een beige ondergrond; de buik is witter. Boven het oog loopt een lichte wenkbrauwstreep. De staart is betrekkelijk lang, wittig met donkere bandering, en wordt bij onraad steil omhoog gehouden. Man en vrouw zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De rosse struiksluiper (Calamanthus campestris) van het droge binnenland is warmer roodbruin en minder zwaar gestreept, en zit in saltbush en droog struweel in plaats van natte heide; Calamanthus montanellus van Zuidwest-Australië is geografisch volledig gescheiden van deze soort. De twee heidesluipers zitten in dichtere heide: de vuurstuitheidesluiper (Hylacola pyrrhopygia) heeft een opvallend roodbruine stuit, de malleeheidesluiper (Hylacola cauta) een witte vleugelstreep en witte staartpunten, en beide missen de zware streping op de bovenzijde. De pieperstruiksluiper (Pyrrholaemus sagittatus) is eveneens gestreept maar heeft een gestreepte kruin en een roodbruine wenkbrauw, en zit in open woodland met grazige ondergroei, niet in heide.
Leefgebied
Lage, dichte begroeiing zonder bomen: kustheide op arme zanden, zoutkwelder en samphire langs estuaria, natte zeggegronden en buttongrassveen in Tasmanië, en in Victoria en Tasmanië ook de kruidenvelden boven de boomgrens. Wat de terreinen gemeen hebben is een gesloten laag van een halve tot anderhalve meter hoog waarin een vogel volledig kan verdwijnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in zuidoostelijk Australië: de kuststreek van Zuid-Australië, Victoria, zuidelijk Nieuw-Zuid-Wales en heel Tasmanië, met een totaal verspreidingsgebied van ongeveer tweehonderdduizend vierkante kilometer. De soort trekt niet en blijft het hele jaar in hetzelfde territorium. Door het versnipperde karakter van de geschikte terreinen is de verspreiding sterk lappendekenachtig.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in september of oktober vroeg naar een stuk kustheide of kwelder en wacht op de snorrende zang; volg die naar de zingende vogel, die dan boven op de vegetatie zit en veel beter zichtbaar is dan ooit daarna. Blijf verder op de rand staan in plaats van erdoorheen te lopen: een opgejaagde vogel duikt weg en laat zich niet opnieuw zien. De omhoog gehouden staart bij het wegduiken is vaak het enige wat u ervan ziet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort heeft wel veel terrein verloren doordat kustheide en kwelder zijn ontgonnen, ingepolderd of bebouwd, en wat rest ligt versnipperd. Waar de heide in nationale parken en reservaten bewaard is gebleven, wordt hij nog regelmatig vastgesteld. Te frequent branden en het afwateren van veen en kwelder zijn de belangrijkste plaatselijke bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Calamanthus fuliginosus | (Vigors & Horsfield, 1827)
Vigors en Horsfield beschreven de soort in 1827 als Anthus fuliginosus, bij de piepers; de typelocatie is Tasmanië, nader bepaald op het gebied van de Derwent. Doordat de soort later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het Latijnse fuliginosus betekent 'roetkleurig'. Het geslacht Calamanthus voerde Gould in 1837 in; het eerste lid komt van het Griekse kalamos, 'riet', het tweede is de uitgang van Anthus, het pieperngeslacht waarin de vogel oorspronkelijk stond.



