Alle soorten › Zangvogels › Nieuw-Zeelandse winterkoningen › Geweervogel
Geweervogel | Acanthisitta chloris
Rifleman | Acantisita verdoso
De geweervogel is met zeven tot negen centimeter en zes gram het kleinste vogeltje van Nieuw-Zeeland: een bolletje met een vrijwel afwezige staart, een dun opgewipt snaveltje en een witte wenkbrauwstreep. Hij klimt in spiralen langs stammen en takken omhoog, hangt daarbij ondersteboven en beweegt vrijwel onafgebroken. Hij is een van de twee laatste Nieuw-Zeelandse winterkoningen; de overige leden van die familie zijn verdwenen.
Geluid
Het geluid is een zeer hoog, kort en simpel zip, pip of tsjuk, door beide geslachten gegeven en tijdens het foerageren bijna zonder ophouden herhaald. Veel van die contactgeluiden liggen zo hoog dat menselijke oren ze niet of nauwelijks opvangen, wat de vogel onopvallender maakt dan hij is. Bij gevaar klinkt een snelle, hoge reeks die in kracht afneemt. Er is geen zang die naam verdient: het is aanhoudend geritsel van korte tonen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een minuscule vogel met een korte, opgewipte, spitse zwarte snavel, lange tenen en een staart die weinig meer dan een stompje is. Het mannetje is helder groen op kop en rug, het vrouwtje overwegend geelbruin met donkere spikkeling op kop en mantel; beide zijn lichtgrijs van onder, met een witte wenkbrauwstreep en een lichte vleugelstreep. Het vrouwtje is groter dan het mannetje, wat bij zulke kleine vogels ongewoon is. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. In de vlucht is hij niet meer dan een snorrende stip die van de ene stam naar de andere schiet.
Verwarringssoorten
De maorimangrovezanger (Gerygone igata) leeft in hetzelfde bos en is even licht, maar grijsbruin, met een rood oog, een veel langere staart en een lange, trillende zang; hij hangt biddend voor het blad in plaats van langs de stam te klimmen. De rotswinterkoning (Xenicus gilviventris) is de naaste verwant maar zit boven de boomgrens tussen steenpuin, met langere poten en gele flanken. De grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) is groter en heeft een witte oogring. Een vogeltje dat spiralend langs een stam omhoog kruipt en daarbij ondersteboven hangt, is in Nieuw-Zeeland deze soort.
Leefgebied
Oud, gesloten bos: beukenbos, kauribos, kamahi en podocarpenbos met een dichte onderlaag en veel dood hout. Hij foerageert over de hele hoogte van het bos, van de stamvoet tot in de kroon, en zoekt kleine ongewervelden uit schors, mos en dood hout. Genesteld wordt in een bestaande holte — een spleet in de bast, een gat in een dode stam, een holte tussen wortels — met een gesloten, bolvormig nest erin. Op de meeste plaatsen zit hij nu vooral in het hoger gelegen bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch op Nieuw-Zeeland en op beide hoofdeilanden aanwezig, maar met een sterk uiteenlopend beeld. De ondersoort van het Noordereiland zit versnipperd in de oostelijke bergketens tot de Remutaka's, op het centrale plateau bij Pureora en Tongariro, en in restpopulaties in het Warawarabos in Northland, op Little Barrier Island en op de Taranaki. Op het Zuidereiland is de vogel wijdverspreid in het westen, op Banks Peninsula en in de zeewaartse Kaikouraketens. Op Stewart Island is hij schaars, behalve op Codfish Island. Hij is standvogel en verplaatst zich weinig.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Blijf in oud beukenbos staan waar het stil is en luister naar het aanhoudende hoge tikken; de vogel verraadt zich veel eerder met geluid dan met beweging. Kijk daarna niet naar de kroon maar naar de stammen op ooghoogte, en volg de beweging omhoog: hij begint laag en werkt spiralend naar boven. Wie het geluid niet meer hoort, moet op de familiegroep letten — er zijn vaak drie of vier vogels die achter elkaar aan dezelfde stam werken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de wereldlijst, en in Nieuw-Zeeland niet bedreigd voor het Zuidereiland; de vorm van het Noordereiland geldt daar als 'at risk, declining'. Ontginning van laaggelegen bos heeft de soort daar teruggedrongen tot hoger gelegen resten, en ingevoerde roofdieren, vooral hermelijnen, halen nesten uit holten leeg. Waar roofdieren op grote schaal worden bestreden, herstelt de soort zich snel, want hij broedt in familiegroepen en brengt twee legsels per seizoen groot.
Wetenschappelijke naam
Acanthisitta chloris | (Sparrman, 1787)
Sparrman beschreef de soort in 1787 als Sitta chloris; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acanthisitta werd in 1842 ingevoerd door Lafresnaye en verbindt het Griekse akanthis, een klein vogeltje, met sitta, de boomklever, naar de klimmende manier van doen. Het epitheton chloris betekent groengeel. In de oorspronkelijke beschrijving staat als vindplaats de Kaap de Goede Hoop, een vergissing: het exemplaar kwam uit Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland. De Engelse naam Rifleman gaat volgens de gangbare verklaring terug op de gelijkenis van het kleed met het uniform van een koloniaal scherpschuttersregiment; de Maorinaam is titipounamu.


