Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Gouden bronskoekoek
Gouden bronskoekoek | Chalcites lucidus
Shining Bronze Cuckoo | Cuclillo broncíneo
Het pronkstuk onder de bronskoekoeken: van boven metaalglanzend goudgroen tot koperkleurig, van onderen wit met brede, doorlopende donkergroene dwarsbanden die tot op de wangen doorgaan. In Nieuw-Zeeland is hij de pīpīwharauroa, de vogel die met zijn stijgende fluit de lente aankondigt en die zijn ei bij de grauwe gerygone legt. Elk najaar verdwijnt hij volledig uit het kaartvenster: een vogel van zestien centimeter die duizenden kilometers open oceaan oversteekt.
Geluid
Een helder, omhoog glijdend fluitje dat in series van vier tot acht wordt herhaald en aan het einde van de reeks in één dálende toon wordt afgesloten: tswie-tswie-tswie-tswie … tsjoe. Aanhoudend herhaalde dalende tonen wijzen meestal op meerdere vogels bij elkaar, vermoedelijk in balts. Van augustus tot januari is het in Nieuw-Zeelands bos het meest gehoorde vogelgeluid dat bijna niemand ooit ziet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een compact koekoekje van ongeveer zestien centimeter en amper vijfentwintig gram. De bovenzijde is diep metaalgroen met goud- of koperglans, afhankelijk van de lichtval; de onderzijde is wit met scherpe, brede, donkergroene dwarsbanden die van keel tot onderbuik dóórlopen en niet in het midden ophouden. Het gezicht is opvallend wit met fijne donkere spikkels, zónder witte wenkbrauwstreep en zónder donkere oogstreep — dat ontbreken is hier juist het kenmerk. In de staart zit weinig tot geen roestbruin. Beide geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met minder bandering op keel en borst.
Verwarringssoorten
Horsfields bronskoekoek (Chalcites basalis) is de belangrijkste tegenspeler op het Australische vasteland: die heeft juist wél een lange witte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep, een onderbroken bandering die het midden van de buik vrij laat, roestbruine staartbases, en een fluittoon die dáált in plaats van stijgt; zijn waardvogels zijn vooral elfjes. De kleine bronskoekoek (Chalcites minutillus) is kleiner, heeft bij het mannetje een felrode oogring, roestbruin in de buitenste onderstaartpennen en fijnere, op de buik onderbroken bandering, en roept in drie tot vijf dalende notities of een krassende triller. De zwartoorkoekoek (Chalcites osculans) is groter, grijsbruin zonder metaalglans, van onderen effen roomkleurig zonder enige band, met een brede zwarte oorstreep en een lage, klagende fluit; hij hoort in droog mulgaland. Onthoud vooral: doorlopende banden tot op de wang plus een blanco kop is alleen deze soort.
Leefgebied
Bos en struweel van allerlei aard, van licht beboste hellingen tot regenwoud, meestal hoog in het kronendak. In Nieuw-Zeeland gebruikt hij podocarpen-loofbos, beukenbos, manuka-struweel en evengoed tuinen en boerenland — overal waar de grauwe gerygone zit. In Australië ligt het zwaartepunt in eucalyptusbos en woodland, waar doornsnavels en gerygones broeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Twee vormen delen het kaartvenster. De nominaatvorm broedt op beide hoofdeilanden van Nieuw-Zeeland plus Stewart Island en, in klein aantal, de Chathameilanden. De Australische vorm plagosus broedt van zuidwestelijk West-Australië via Zuid-Australië, Victoria, Tasmanië en Nieuw-Zuid-Wales tot in oostelijk Queensland en Kaap York, en komt ook op Lord Howe en Norfolk voor. Beide vormen zijn echte trekvogels: ze verlaten het kaartvenster in de winter volledig en overwinteren in de Salomonseilanden, de Bismarck-archipel, Nieuw-Guinea en de Kleine Soenda-eilanden. De vogels uit Nieuw-Zeeland komen midden augustus terug en zijn in oktober pas echt talrijk.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in oktober of november in Nieuw-Zeeland een bosrand af en volg de stijgende fluit omhoog: de vogel zingt bijna altijd hoog in het kronendak en verraadt zich alleen door geluid. Een tweede route is de indirecte — zoek een nest van de grauwe gerygone en let op de ouders die zich plotseling druk maken om een veel te groot jong. Op een foto of bij goed zicht is de sluitsteen altijd de kop: geen wenkbrauw, geen oogstreep, wit gezicht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) volgens de IUCN; in Nieuw-Zeeland geldt hij op het vasteland als Not Threatened, terwijl de populatie van de Chathameilanden juist uiterst zeldzaam is. In Australië is de soort in alle deelstaten als veilig beoordeeld. De opvallendste bedreiging is indirect: de trek van duizenden kilometers over open zee kost jaarlijks veel vogels, en op de Chathams staat of valt de soort met de kleine populatie van de Chathamgerygone.
Wetenschappelijke naam
Chalcites lucidus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Cuculus lucidus in de dertiende editie van Systema Naturae, naar materiaal uit Queen Charlotte Sound in Nieuw-Zeeland, verzameld tijdens Cooks reizen; omdat de soort is verplaatst naar Chalcites, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton lucidus is Latijn voor 'glanzend, stralend' en slaat op de metaalglans. Het geslacht Chalcites (Lesson, 1830) komt van het Griekse khalkos, 'brons'. De Māori-naam pīpīwharauroa is in gebruik naast de Engelse naam.




