Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Goulds zebraduif

Goulds zebraduif | Geopelia placida

Peaceful Dove | Tortolita plácida

Goulds zebraduif is de kleine, fijn gestreepte duif die in half Australië het geluid van de ochtend levert: een zacht, muzikaal doedel-doe vanaf een draad of een kaal takje. Hij is nauwelijks groter dan een merel, heeft een lange, getrapte staart en een blauwgrijze ring om het oog, en het hele voorlijf is met haarfijne zwarte dwarsstreepjes bedekt.

Goulds zebraduif (Geopelia placida)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een muzikaal, opgewekt doe-del-doe, eindeloos herhaald en vaak het eerste geluid van de dag; daarnaast een luider koe-lo-loe en een rollend kroerrr. De toon is hoog en licht en heeft niets van het zware koeren van de grotere duiven. Op een warme middag hoor je hem nog wanneer de rest van het bos zwijgt.

Luister: ZangXC747824

Opname: Eddy Smith — CC BY-NC-SA 4.0 · Mannum, Mid Murray Council, South Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een compacte duif van ruim twintig centimeter met een lange, getrapte staart en wigvormige vleugels. Kop en hals zijn grijs met dichte, fijne zwarte dwarsstreping die doorloopt over bovenborst en bovenrug; de keel is wit, de onderzijde roze getint en de poten dieproze. De ring rond het oog is blauwgrijs, net als het oog zelf en de snavelbasis. In de vlucht vallen de witte staarthoeken en de snelle, golvende slag op.

Verwarrings­soorten

De diamantduif (Geopelia cuneata) is kleiner en slanker, heeft een oranjerode oogring en losse witte stipjes op de vleugel in plaats van dwarsstreping. De roodnekzebraduif (Geopelia humeralis) is fors groter, zwaarder gebouwd en draagt een koperrood schild in de nek; zijn roep is een vol koek-koe, niet het lichte doedel-doe. De ingevoerde parelhalstortel is groter, egaler bruin en heeft een zwarte, wit gespikkelde halsvlek.

Leefgebied

Open, droog eucalyptusbos en open bos met grazige ondergroei, de randen van regenwoud, galerijbos langs rivieren, en pandanus en lianenstruweel in de drogere streken. Hij komt tot vlak bij de mens: straten, tuinen, parken, boerenerven, wegbermen en akkerranden. Hij foerageert lopend op kale, open grond en moet minstens twee keer per dag drinken, zodat water nooit ver weg is.

Verspreiding en trek

Over vrijwel heel Australië behalve Tasmanië, zuidelijk Victoria en het uiterste zuidwesten — wijdverbreid in het noordwesten, het noorden en het hele oostelijke vasteland. Buiten het kaartvenster zit hij ook in zuidelijk Nieuw-Guinea en op de Aru-eilanden. Hij is grotendeels standvogel, met plaatselijke verschuivingen wanneer water opdroogt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Leer de roep en je vindt hem overal: doedel-doe vanaf een telefoondraad, een kaal takje of een hek langs een landweg. Zoek hem daarna op de grond in de berm of op een kaal plekje tussen het gras, waar hij met kleine pasjes zaad oppikt. Kijk bij elke vermoedelijke diamantduif naar de oogring: blauwgrijs hoort bij deze soort, oranjerood bij de diamantduif.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot areaal en een grote populatie. In een deel van het zuidoosten loopt hij terug waar de ingevoerde parelhalstortel rond steden en dorpen terrein wint, maar over het continent gezien is de soort algemeen en stabiel en heeft hij baat bij de drinkplaatsen van de veehouderij.

Wetenschappelijke naam

Geopelia placida | Gould, 1844

Gould beschreef de vogel in 1844 als Geopelia placida, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Geopelia werd in 1837 ingevoerd door Swainson, uit het Griekse geo-, 'grond', en peleia, 'duif'. placida is Latijn voor 'rustig, vreedzaam' — dezelfde gedachte als in de Engelse naam Peaceful Dove. Lang gold hij als ondersoort van de zebraduif (Geopelia striata) uit Zuidoost-Azië; de Nederlandse naam eert Gould, die hem als eerste onderscheidde. De typelocatie ligt in Nieuw-Zuid-Wales.