Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Roodnekzebraduif

Roodnekzebraduif | Geopelia humeralis

Bar-shouldered Dove | Tortolita humeral

De roodnekzebraduif is de grootste van de Australische zebraduifjes en tegelijk de opvallendst getekende: een langstaartige duif met een blauwgrijze kop en borst en, in de nek, een koperrood tot bronskleurig schild van veren die elk zwart zijn omzoomd. Hij is een vogel van dichte begroeiing bij water en hoort in het noorden van Australië bij het geluid van elke ochtend.

Roodnekzebraduif (Geopelia humeralis)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid, melodieus en volstrekt eigen: een helder koek-koe-koek-koe dat in lange reeksen wordt herhaald, en daarnaast een borrelende, dalende reeks die klinkt alsof de vogel in zichzelf lacht. Australiërs lezen in de roep koelie-koe. Vooral bij het eerste licht en tegen de avond roept hij aanhoudend vanuit dekking.

Luister: ZangXC663439

Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Bilambil Heights, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een stevige duif van bijna dertig centimeter met een opvallend lange, aan het eind afgeronde staart. Kop, hals en bovenborst zijn blauwgrijs, de onderborst en buik lichtroze, de vleugels bruin met bronsglans. Het kenmerk waarop het aankomt zit in de nek: een breed veld van koperrode tot bronsolijve veren met zwarte zomen, dat als een geschubd schild over achterhals en schouder ligt. De oogring is blauwgrijs, het oog roodbruin en in de broedtijd feller.

Verwarrings­soorten

Goulds zebraduif (Geopelia placida) is het naaste verwarringsgevaar, maar is veel kleiner (20–24 tegen 27–30 cm), fijner gebouwd, en heeft zwart-witte dwarsstreping over hals én bovenborst in plaats van een koperen nekveld; zijn roep is een licht doedel-doe tegenover het volle koek-koe. De diamantduif (Geopelia cuneata) is nog kleiner en heeft witte stipjes op de vleugel en een oranjerode oogring. De ingevoerde parelhalstortel is even groot, maar draagt een zwarte, wit gespikkelde halsvlek in plaats van een koperen nek.

Leefgebied

Dichte, grazige ondergroei bij water is zijn beeld: open eucalyptusbos met gras, galerijbos langs kreken, mangrove en de rand van moessonbos en lianenstruweel, en in het noorden ook pandanusstroken. Hij komt voor in tuinen, parken, campings en dorpsranden zolang er struikgewas en drinkwater is. Foerageren doet hij lopend op kort gras vlak bij dekking; het nest is een dun takkenplateau in een dichte struik.

Verspreiding en trek

Over het vochtige en goed beboste deel van noordwestelijk, noordelijk en oostelijk Australië, van omstreeks Onslow in West-Australië door de Kimberley en het Top End tot Kaap York, en langs de oostkust zuidwaarts tot ongeveer Bega in Nieuw-Zuid-Wales. Buiten het kaartvenster zit hij ook in zuidelijk Nieuw-Guinea. In het noordwesten van Victoria duikt hij de laatste decennia steeds vaker op.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop bij zonsopgang een campingterrein of een picknickplaats bij water in het Top End of langs de tropische oostkust af; hij roept dan onophoudelijk en laat zich op de grond makkelijk benaderen. Kijk bij elke zebraduif eerst naar de nek — een koperen schild betekent meteen deze soort. En leer de roep: een borrelende, dalende reeks uit dichte struiken is vrijwel altijd een roodnekzebraduif.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Hij is talrijk in zijn hele areaal, past zich goed aan bij dorpen, tuinen en campings, en profiteert net als veel andere duiven van permanent drinkwater. In het zuidoosten breidt hij zelfs uit. Bedreigingen van betekenis zijn niet bekend; huiskatten en verkeer kosten plaatselijk vogels.

Wetenschappelijke naam

Geopelia humeralis | (Temminck, 1821)

Temminck beschreef de vogel in 1821 als Columba humeralis; door de latere overgang naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geopelia is van Swainson (1837) en betekent 'grondduif', uit het Griekse geo- en peleia. humeralis is Latijn voor 'van de schouder' en verwijst naar het koperen veld over achterhals en schouder. Het type kwam uit Nieuw-Holland, de toenmalige naam voor Australië.