Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Grauwe gans
Grauwe gans | Anser anser
Greylag Goose | Ansar común
De grauwe gans is hier de vogel van de stadsvijver en het boerenerf: een verwilderde tamme gans, afstammeling van de Europese wilde gans die al drieduizend jaar geleden werd gedomesticeerd. Anders dan in Europa is hij binnen dit gebied zelden egaal grijsbruin — de meeste vogels zijn wit of wit met grijsbruine vlekken, precies zoals de boerderijgans waar ze vandaan komen. De oranje snavel en oranje poten zijn het constante kenmerk.
Geluid
Luid, schor en onmiskenbaar het geluid van de boerderij: een schallend, drielettergrepig gekakel, aang-ang-ang, dat bij onrust in de hele groep wordt overgenomen. Ganzen herkennen elkaar aan de stem. Bij dreiging strekt de vogel de hals laag vooruit en sist langgerekt; jonge vogels piepen en fluiten zacht. Overvliegende groepen honken onregelmatig door elkaar heen, minder ritmisch dan bij de Canadese gans.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongeveer tachtig centimeter en zo'n drie kilo, met een zware, hoge oranje snavel, oranjeroze poten en een forse, gedrongen bouw. In de verwilderde stand van dit gebied zijn de mannetjes meestal geheel wit en hebben de vrouwtjes grote grijsbruine vlekken, vooral op de hals, de onderborst en de flanken; zuiver wildkleurige vogels — grijsbruin met fijne bandering en een lichte kop — komen voor maar zijn in de minderheid. In de vlucht valt bij de grijze vogels de opvallend bleke, zilvergrijze voorvleugel op. De donsjongen zijn geel, bruiner op de rug. De loop is rechtop en waggelend, en de vogels zijn tam genoeg om je tot op een paar meter te laten naderen.
Verwarringssoorten
De Canadese gans (Branta canadensis) is de andere gans van het Nieuw-Zeelandse weiland: die is groter, heeft een zwarte kop en hals met een witte kinband en een zwarte snavel en zwarte poten, en nooit wit in het kleed. Witte exemplaren worden van een afstand voor de knobbelzwaan (Cygnus olor) aangezien, maar die is twee keer zo lang, heeft een veel langere hals en een zwarte knobbel op de snavel. Verwilderde huiseenden en de barbarie-eend (Cairina moschata) zitten op hetzelfde parkwater maar zijn veel kleiner. Bastaarden met de zwaangans komen in parken voor: die hebben een donkere streep over de nek en een zwarte snavel.
Leefgebied
Kort grasland bij water — stadsparken, sportvelden, oevers van vijvers en meren, en verder boerenland met sloten en poelen. Hij graast als een schaap en kan bij grote aantallen de weide bevuilen en kaalvreten. Het nest komt op de grond, meestal onder een struik of in ruig gras vlak bij de oever, met vier tot zes roomwitte eieren en ongeveer dertig dagen broeden; de jongen vliegen na vijftig tot zestig dagen en blijven daarna nog een maand of tien bij de ouders. Hij verlangt geen natuurgebied, alleen gras, water en rust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Nieuw-Zeeland wijdverbreid over beide hoofdeilanden, met als voornaamste uitzondering Fiordland en Westland ten zuiden van Greymouth; op de Chathameilanden is hij algemeen. De totale stand wordt op enkele duizenden vogels geschat, maar precies tellen is lastig omdat erfganzen en verwilderde ganzen in elkaar overlopen. In Australië gaat het om verspreide groepjes op stadsvijvers, parkmeren en boerendammen in het zuidoosten en zuidwesten, zonder gevestigd wild areaal — vrijwel elke vogel is binnen loopafstand van menselijke bebouwing te vinden. Van een aaneengesloten verspreidingsgebied is in geen van beide landen sprake.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem waar mensen zijn: de vijver van het stadspark, de picknickweide aan het meer, het sportveld naast de rivier. De vogels zijn tam omdat er niet op wordt gejaagd, dus je kunt rustig de snavelkleur en de pootkleur controleren — oranje bij deze soort. Let bij een groep op het aandeel wilde-kleurvogels: waar dat hoog is, gaat het meestal om een oudere, langer verwilderde stand.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), en de stand hier is geen natuurlijke maar een ingevoerde. De geschiedenis begint bij Cook, die in 1773 ganzen uit Zuid-Afrika losliet in Goose Cove in Dusky Sound; die poging mislukte. De huidige vogels stammen vrijwel allemaal af van weggelopen erfganzen, in de Nieuw-Zeelandse omschrijving 'beheerd door welwillende verwaarlozing'. Omdat er niet op wordt gejaagd zijn ze tam en kunnen ze plaatselijk talrijk worden; klachten gaan over bevuiling en vraat aan weide en sportveld, niet over schade aan natuurgebied. Als schadelijke exoot met gevolgen voor inheemse soorten staat hij in geen van beide landen te boek.
Wetenschappelijke naam
Anser anser | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas anser, in de tiende uitgave van het Systema Naturae; omdat ze later naar Anser verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson; anser is gewoon het Latijnse woord voor 'gans', en doordat de soortnaam herhaald werd als geslachtsnaam is de grauwe gans door tautonymie de typesoort van het geslacht. De typelocatie is Zweden. Dit is de stamvader van vrijwel alle Europese tamme ganzenrassen, gedomesticeerd uiterlijk rond 1360 v.Chr., wat verklaart waarom de vogels hier zo vaak wit zijn.


