Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Wenkbrauweend

Wenkbrauweend | Anas superciliosa

Pacific Black Duck | Pato negro del pacífico

De wenkbrauweend is de gewone grote zwemeend van Australazië: donkerbruin, met een crèmekleurig gezicht waar twee zwarte strepen doorheen lopen, en met een groene spiegel die alleen bij het strekken van de vleugel oplicht. Hij zit op elk water van een bosplas tot een getijdenslik. In Nieuw-Zeeland is hij tegelijk het schoolvoorbeeld geworden van een soort die door kruising met de wilde eend van binnenuit verdwijnt.

Wenkbrauweend (Anas superciliosa)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het vrouwtje kwaakt luid en rauw in een snelle reeks die in kracht afneemt: kwaak-kwak-kwak-kwak, hetzelfde dalende lachje als bij de wilde eend en vaak het eerste dat je van een verscholen paar hoort. Het mannetje is veel stiller en geeft een kort, hoog en schor rrèp, meestal maar één of twee keer. Bij baltsende groepen komen daar snelle knikbewegingen met een zacht gemurmel bij.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, donkere zwemeend van 50 tot 60 cm, van bovenaf gezien vrijwel egaal middenbruin doordat elke veer een smalle lichte zoom heeft. Het kenmerk zit in de kop: een crèmekleurig gezicht met een donkere kruin en een scherpe donkere streep dwars door het oog, waarvan de bovenste rand de wenkbrauw vormt die de vogel zijn naam geeft. In de vlucht is de ondervleugel helder wit en steekt hij scherp af tegen het bruine lijf; op de vleugel ligt een glanzend groene spiegel met een smalle witte zoom. Man en vrouw zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

Het echte probleem is de wilde eend (Anas platyrhynchos), die in Australië en vooral in Nieuw-Zeeland is uitgezet en er massaal mee kruist: kruisingen hebben een vage, uitgelopen kopstreep, een groenig waas op de kop of een oranje poot, en zuivere wenkbrauweenden zijn in Nieuw-Zeeland zeldzaam geworden. De australische taling (Anas gracilis) is veel kleiner, lichter grijsbruin en heeft een effen gezicht met een witte keel. De kastanjetaling (Anas castanea) is kleiner en donkerder en mist de kopstrepen volledig.

Leefgebied

Vrijwel elk water met een rand: meren, stuwmeren, kreken en rivieren, rietmoeras en billabong, tot en met slootjes, stadsvijvers en rioolwaterbekkens. In het noorden gebruikt hij bosplassen en in de winter ook estuaria en getijdenslik. Voedsel zoekt hij dabbelend in de ondiepte en grondelend met de staart omhoog; het nest ligt in dichte oevervegetatie, op een omgevallen stam of in een boomholte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Overal in Australië behalve de droogste woestijnkernen, in heel Nieuw-Zeeland, op Norfolk en verder over Nieuw-Guinea, Indonesië en een groot deel van de Stille Oceaan tot Frans-Polynesië. Op het Australische vasteland is hij de talrijkste eend en houdt hij stand; in Nieuw-Zeeland is hij van de subantarctische eilanden verdwenen, op de Chathams zeldzaam geworden en op het hoofdland sterk teruggelopen. Trek doet hij niet, maar in droge jaren verplaatsen grote aantallen zich naar de kust en naar het zuidoosten.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de kopstrepen, niet het lijf: bij elke bruine eend op het water zegt het gezichtspatroon in één blik of het een zuivere vogel is. Kijk bij een paar in de late winter en het vroege voorjaar of de poot oranje is en de kruin groenig glanst — dan zit er wilde eend in. Laat een rustende troep opvliegen en let op de witte ondervleugel; die is bij tegenlicht het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar dat cijfer verhult het Nieuw-Zeelandse verhaal: daar geldt de vogel als Nationally Vulnerable en zijn er nog maar weinig genetisch zuivere exemplaren over, doordat de sinds 1867 uitgezette wilde eend hem wegkruist en in aantal overvleugelt. Dat de jacht op eenden er geopend blijft terwijl kruisingen in het veld nauwelijks van zuivere vogels te onderscheiden zijn, maakt het probleem groter. In Australië is de stand stabiel en profiteert hij van kunstmatig water.

Wetenschappelijke naam

Anas superciliosa | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas superciliosa, en in dat geslacht staat ze nog altijd, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Anas is eenvoudigweg het Latijnse woord voor eend, in 1758 door Linnaeus als geslachtsnaam gebruikt. superciliosa hoort bij supercilium, 'wenkbrauw', naar de lichte streep boven het oog. De typelocatie is Dusky Sound in Fiordland, Nieuw-Zeeland; de Māori-naam pārera is er nog steeds in gebruik.