Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Grijs-roze vliegenvanger

Grijs-roze vliegenvanger | Petroica rosea

Rose Robin | Petroica rosada

De grijs-roze vliegenvanger is de lichtste van alle Australazische vliegenvangers (robins): nog geen achtenhalve gram, elf centimeter lang, met een lange staart en een piepklein snaveltje. Het mannetje draagt een roze borst op een egaal donkergrijze bovenzijde; het vrouwtje is zo vaal en onopvallend dat de meeste waarnemers haar eerder aan de beweging dan aan de kleur herkennen. Anders dan de meeste verwanten leeft deze soort hoog in het kronendak van natte bossen en ravijnen, en niet op of vlak boven de grond.

Grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea)
Foto: Gunjan Pandey — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog en insectachtig geluid. De zang is een snelle, ijle triller die van hoog in het kronendak komt en in het bos eerder als een krekel dan als een vogel klinkt. Daarnaast klinkt een hard, kort tikje als contact- en alarmroep, vaak in reeksen van twee of drie. Omdat de vogel zelden laag komt, is dat tikje in de praktijk het eerste wat een waarnemer opvalt; de zang moet je bewust uit het achtergrondgeluid halen.

Luister: ZangXC343551

Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Royal National Park, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een zeer klein, langstaartig vogeltje met een fijn, breed snaveltje. Het mannetje is van boven egaal donker leigrijs — niet zwart — met een klein, scherp afgetekend wit voorhoofdvlekje, een witte keel, en een roze borst en bovenbuik die naar de onderbuik en de onderstaartdekveren scherp in wit overgaan. De staart is zwart met witte hoeken. Het vrouwtje is effen vaalgrijsbruin van boven en grijswit van onderen, met hooguit een zweem roze op de borst en een paar kleine, lichte vleugeltekeningen. In het veld valt vooral de bouw op: kleiner en slanker dan elke andere vliegenvanger (robin), en vrijwel altijd hoog in de bomen.

Verwarrings­soorten

De naaste verwant is de zwart-roze vliegenvanger (Petroica rodinogaster), die er in het veld het meest op lijkt maar duidelijk zwaarder is: het mannetje daarvan heeft een roetzwarte kop, keel en bovenzijde in plaats van leigrijs, mist de witte keel, en het roze loopt veel verder door over de buik. Het vrouwtje van P. rodinogaster is warmbruin met twee duidelijke bruingele vleugelstrepen, waar dit vrouwtje koeler grijsbruin en vrijwel ongetekend is. Bovendien zit P. rodinogaster in Tasmanië en in de natte ravijnen van Victoria, terwijl deze soort Tasmanië mijdt en noordelijker reikt. De karmijnvliegenvanger (Petroica boodang), de vuurbuikvliegenvanger (Petroica phoenicea) en de roodkapvliegenvanger (Petroica goodenovii) zijn alle rood, niet roze, en foerageren laag of op de grond; P. boodang heeft bovendien een grote witte voorhoofdvlek en een zwarte keel, P. phoenicea heeft oranjerood dat tot over de keel doorloopt, en P. goodenovii heeft een rode kruin. De meest bedreigde soort van het geslacht, de Chatham Island-vliegenvanger (Petroica traversi), is geheel zwart en komt alleen op de Chathameilanden voor.

Leefgebied

In het broedseizoen natte eucalyptusbossen, regenwoudravijnen en beschaduwde kreekdalen van de oostelijke bergketens, waar de vogel vrijwel het hele jaar in de bovenste helft van de bomen blijft. Hij foerageert vliegend en fladderend in het kronendak, plukt insecten en spinnen van blad en twijg en keert — anders dan de meeste vliegenvangers (robins) — niet telkens naar dezelfde uitkijkpost terug. Buiten het broedseizoen verschuift hij naar lager en droger bos, open eucalyptusbos en rivierbos langs kreken, en dan komt hij ook lager in de vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in oostelijk en zuidoostelijk Australië. De soort broedt van het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales tot in het zuidwesten van Victoria, en overwintert zij westwaarts tot de Mount Lofty Ranges en noordwaarts tot de Blackdown Tableland; waarnemingen reiken in de winter tot in het zuiden van Queensland. Tasmanië wordt niet bereikt. De seizoensbeweging is werkelijk een trek en niet alleen een zwerftocht: de broedgebieden in de hoge, natte bossen lopen in de winter grotendeels leeg en de vogels duiken dan op in bos waar ze in de zomer ontbreken.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek omhoog. Wie in een vochtig ravijn naar de grond en de onderste takken kijkt, mist deze soort vrijwel zeker; het kronendak is de plek. Let op een klein vogeltje dat kort fladderend tussen de bladeren doorgaat en telkens van tak wisselt in plaats van terug te keren. Het harde tikje is de beste ingang, en in de winter loont het juist om in lager, droger bos te zoeken, waar de vogel op ooghoogte kan komen en het roze dan eindelijk goed te zien is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort heeft een ruim areaal en is nergens zeldzaam, maar zij is wel gebonden aan natte bossen met een gesloten kronendak, en het verdwijnen en versnipperen van juist dat bostype is het belangrijkste knelpunt dat voor haar wordt genoemd. Omdat zij in de winter over een veel groter en deels ander gebied wordt aangetroffen dan in de zomer, is zij bovendien afhankelijk van twee verschillende landschappen tegelijk; beheer dat alleen op de broedbossen let, dekt dus niet de hele jaarcyclus.

Wetenschappelijke naam

Petroica rosea | Gould, 1840

John Gould beschreef de soort in 1840 op materiaal van de Hunter River in Nieuw-Zuid-Wales, onder de naam die zij nog steeds draagt. Het geslacht Petroica is samengesteld uit het Oudgriekse petros ('rots') en oikos ('woning'), dus 'rotsbewoner'. Het epitheton rosea is het Latijnse roseus, 'rooskleurig', naar de borst van het mannetje. De Engelse naam Rose Robin en de Spaanse petroica rosada kiezen diezelfde kleur; de Nederlandse naam grijs-roze vliegenvanger zet het grijs van de bovenzijde ernaast, precies het kenmerk dat de soort van de zwart-roze vliegenvanger scheidt.