Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Grijsborstral
Grijsborstral | Lewinia pectoralis
Lewin's Rail | Rascón pectoral
De grijsborstral is een gedrongen, kortstaartige ral van dichte moerasvegetatie, met een lange roze snavel, een roestbruine kruin en scherp zwart-wit gebandeerde flanken. Hij is veel vaker te horen dan te zien: de meeste waarnemingen bestaan uit een geluid uit het riet en een schim die een pad oversteekt.
Geluid
Het bekendste geluid is een hard, ratelend kek-kek-kek-kek in reeksen van tien of meer, vooral in de schemering en na regen. Daarnaast maakt hij lage grommende en knorrende tonen die van dichtbij eerder aan een zoogdier doen denken, en een piepend geluid als van een knijpspeeltje. Op een nagebootst piepje komt hij vaak een paar meter dichterbij, om zich daarna meteen weer te laten wegzakken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een ral van tweeëntwintig tot zesentwintig centimeter met een zware, lange en licht gebogen snavel in olijf tot dof roze, en een rode iris. Kruin en nek zijn roestbruin, gezicht en borst leigrijs, en flanken, buik en onderstaart zijn scherp zwart-wit gebandeerd. De bovendelen zijn zwartbruin met roomkleurige lengtestrepen, waardoor de vogel in dood riet volledig wegvalt. Jonge vogels zijn valer, met een bruinige borst en een doffe kruin. De vogels van Tasmanië zijn groter en donkerder dan die van het vasteland.
Verwarringssoorten
De bandral (Hypotaenidia philippensis) leeft in hetzelfde moeras en laat zich veel vaker zien: hij heeft een witte wenkbrauwstreep, een roestbruine oogstreep en een oranjebruine borstband, en zijn snavel is korter en rechter. Het kleinst waterhoen (Zapornia pusilla) is veel kleiner, heeft een korte groene snavel en mist de roestbruine kruin. Bij een schim die door het riet schiet beslist de snavel: lang, gebogen en roze hoort bij deze soort.
Leefgebied
Dichte, hoge vegetatie in permanent zoet en brak water: riet, lisdodde, zegge, biezen en pollen gras langs moerassen, greppels en beken. Op Tasmanië en in de bergen van Victoria zit hij ook in buttongrasveen en natte kruidenvelden, en langs de kust in de zoom van kwelder en mangrove. Open oevers en kaal slik mijdt hij; hij loopt liever een tunnel door de begroeiing dan dat hij in het zicht komt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Oostelijk en zuidoostelijk Australië van zuidoostelijk Queensland tot in Zuid-Australië, met een eigen bevolking op Tasmanië, en buiten het gebied op Nieuw-Guinea en in Wallacea. De westelijke vorm van zuidwestelijk West-Australië is sinds de jaren dertig niet meer gezien en geldt als verdwenen. Hij trekt niet, maar duikt na regen op in tijdelijke moerassen ver van de bekende plekken, wat laat zien dat hij meer rondzwerft dan zijn schuwheid doet vermoeden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in de vroege ochtend of vlak voor donker een rietrand of een begroeide greppel af en blijf staan; het geluid komt meestal binnen tien minuten. Let op de smalle looppaadjes door de zegge en op de plek waar zo'n paadje een sloot of een pad kruist — daar steekt hij over, en daar is hij een tel lang te zien.
Staat van instandhouding
Op wereldschaal niet bedreigd (LC), maar per staat een ander verhaal: in Victoria staat hij als kwetsbaar te boek en op het vasteland van Zuid-Australië is hij zeldzaam geworden. Drooglegging van moerassen, het afbranden van rietkragen en predatie door vos en kat kosten hem terrein. Dat de soort zo moeilijk te tellen is, maakt elke trend voor deze vogel onzeker.
Wetenschappelijke naam
Lewinia pectoralis | (Temminck, 1831)
Temminck beschreef de soort in 1831 als Rallus pectoralis; omdat ze later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lewinia werd in 1855 ingevoerd door Gray en eert John William Lewin, de eerste vogelschilder van Australië die van zijn werk leefde. pectoralis betekent 'van de borst', naar het grijze borstschild. De beschrijving vermeldt alleen Oceanië als herkomst; Mathews legde de typelocatie vast op Nieuw-Zuid-Wales.



