Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Grijskopstruikvliegenvanger

Grijskopstruikvliegenvanger | Heteromyias cinereifrons

Grey-headed Robin | Petroica cabecigrís

De grijskopstruikvliegenvanger is de grootste en langpotigste vliegenvanger van Australië en een vogel van één landschap: de koele bergregenwouden van het Wet Tropics-gebied achter Cairns, met de Atherton Tableland als hart. Hij huppelt over de bosbodem op lange, roze poten, klimt tegen een stam omhoog om weer naar beneden te turen, en laat zich op de wandelpaden van Mount Hypipamee en Lake Eacham van heel dichtbij bekijken.

Grijskopstruikvliegenvanger (Heteromyias cinereifrons)
Foto: WikiWookie — CC BY 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langzame, ver dragende reeks van heldere fluittonen, meestal drie tot vijf, die in toonhoogte oploopt en met een aarzeling tussen de noten wordt afgeleverd — een van de meest kenmerkende geluiden van het Athertonse bergwoud, vooral in de vroege ochtend en bij mist. Daarnaast een hard, kort tsjak bij onrust en een zacht kloekend geluid tussen partners. Het geluid komt bijna altijd van laag bij de grond.

Luister: ZangXC620927

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · Lake Eacham, Tablelands Regional, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Zestien tot achttien centimeter en ruim vijfendertig gram: een zware, rechtopstaande vogel met opvallend lange, bleekroze poten. De kop is grijs met een donkere vlek rond en achter het oog en een witte keel; de rug en de schouders zijn warm roestbruin, wat in het schemerdonker van het bos goed opvalt. De vleugels zijn zwartachtig met een witte vleugelstreep en witte vlekken op de dekveren. De onderdelen zijn wit met een grijze waas over borst en flanken. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn bruin en roestig gevlekt.

Verwarrings­soorten

Binnen Australië lijkt geen enkele andere vliegenvanger op hem, maar op de bosbodem van hetzelfde bergwoud lopen twee vogels die van achteren op hem lijken. De zwartkopraltimalia (Orthonyx spaldingii) is groter en veel zwaarder, donker van boven en wit (man) of oranje (vrouw) op de keel, en hij werkt met gespreide stekelstaart het strooisel om in plaats van te wachten. De Cape York-fluiter (Drymodes superciliaris) is de andere langpotige bodemvliegenvanger van het noordoosten, maar leeft uitsluitend in het laaglandregenwoud van Kaap York, honderden kilometers noordelijker, en mist het roestbruine rugveld en de witte vleugelvlekken. De kleinere bleekgele vliegenvanger (Eopsaltria capito) deelt hetzelfde bos maar is half zo groot en geel van onderen. Zijn naaste verwanten Heteromyias armiti en Heteromyias albispecularis komen alleen op Nieuw-Guinea voor.

Leefgebied

De bodem en de onderste meters van tropisch bergregenwoud, bij voorkeur boven zeshonderd meter en in de vochtigste, schaduwrijkste delen: beekdalen, mistbos, dichte lianenbossen met een open, dik bladstrooisel. Hij jaagt vanaf een lage verticale zitplaats tegen een stam of boomvaren, kijkt naar beneden en springt op prooi in het strooisel; onderweg schuifelt hij met lange passen over de bodem. Het grote, slordige nest van mos, wortelvezel en bladeren staat laag in een boomvaren of een vork, vaak vlak naast een pad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen in het noordoosten van Queensland, in de hooglanden van het Wet Tropics-gebied: van de Windsor en Carbine Tablelands en de omgeving van Mount Lewis in het noorden, over de Atherton Tableland, tot de Paluma Range en het achterland van Cardwell in het zuiden — daar, bij Rockingham Bay, ligt ook de typelocatie. Het is een klein en samenhangend areaal van enkele duizenden vierkante kilometers. Hij is strikt standvogel; alleen in de koudste maanden zakken enkele vogels iets lager langs de hellingen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Dit is een van de makkelijkste bergregenwoudvogels van Australië, mits je op de goede hoogte staat. Neem op de Atherton Tableland een rondje bij Lake Eacham, Lake Barrine of in het Mount Hypipamee-gebied, loop langzaam en kijk naar de bosbodem vlak naast het pad. De vogel komt vaak uit zichzelf dichterbij en blijft dan stil staan. Let op de poten: zo lang en zo roze staat verder geen enkele vliegenvanger in dat bos.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). De soort is binnen haar bos nog algemeen en het grootste deel van het areaal ligt in het Wet Tropics-werelderfgoedgebied, dus houtkap speelt geen rol meer. De reden voor de categorie is de combinatie van een zeer klein areaal met een strikte binding aan koel, vochtig bergbos: bij opwarming schuift de ondergrens van dat leefgebied omhoog, en boven de bergtoppen van de Atherton Tableland is geen ruimte meer om naartoe te schuiven. Modelstudies van de Wet Tropics-hooglandvogels rekenen deze soort tot de groep die daarbij het meest te verliezen heeft.

Wetenschappelijke naam

Heteromyias cinereifrons | (Ramsay, 1876)

Ramsay beschreef de vogel in 1876 als Poecilodryas cinereifrons, met een vraagteken bij het geslacht, naar een exemplaar van bij Cardwell aan Rockingham Bay; omdat hij later in een ander geslacht werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Heteromyias is gevormd uit Grieks heteros (anders, afwijkend) en myia (vlieg), in de zin van een afwijkende vliegenvanger. cinereifrons is Latijn voor asgrijs van voorhoofd, van cinereus (asgrijs) en frons (voorhoofd). De Nederlandse naam volgt datzelfde kenmerk en voegt 'struik' toe voor de levenswijze laag in het bos.