Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Grijsmaskerstormvogel

Grijsmaskerstormvogel | Pterodroma gouldi

Grey-faced Petrel | Fardela de alas grandes

De grijsmaskerstormvogel is de donkere stormvogel van Noord-Nieuw-Zeeland, bij de Maori bekend als oi: een roetzwarte gadfly petrel die met stijve vleugels hoge bogen door de golfdalen trekt en alleen zijn naam prijsgeeft als het licht goed valt op het bleke masker rond snavelbasis en keel. Hij broedt in de winter, tegen de klok van vrijwel alle andere zeevogels in, en komt vanaf maart in het donker terug naar de kliffen en eilandjes van het noorden. Sinds 2014 geldt hij als aparte soort, afgesplitst van de langvleugelstormvogel, en met tienduizenden paren op Moutohora alleen al is hij in zijn eigen zeegebied allesbehalve zeldzaam. Buiten het broedseizoen zwerft hij dwars over de Tasmanzee tot in Australische wateren.

Grijsmaskerstormvogel (Pterodroma gouldi)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt deze vogel vrijwel altijd, zoals alle stormvogels; het geluid hoort bij de kolonie en bij de nacht. Boven de broedhellingen klinkt een mengsel van hoge, scherpe fluittonen en lage kreunende klanken, in de literatuur weergegeven als een tweelettergrepig whis-her en een sneller wik-wik. De vogels roepen zowel in de vlucht boven de kolonie als vanaf de grond en vanuit het hol, en op een windstille nacht in april of mei, als de baltsdrukte piekt, staat een hele klifhelling te fluiten en te kreunen. Overdag is het er doodstil. Wie het geluid wil horen, moet dus na zonsondergang bij een kolonie staan, niet op een boot.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, geheel donkere stormvogel van rond de tweeenveertig centimeter en ongeveer 550 gram, met lange, smalle, licht geknikte vleugels. Het verenkleed is egaal zwartbruin, bij sleet met bleekbruine vlekken erdoorheen. Het kenmerk waar de naam op teruggaat, is het bleke masker: lichtgrijs tot vuilwit op voorhoofd, teugel, kin en keel, dat op korte afstand duidelijk aftekent tegen de zwarte rest van de kop. De snavel is kort, hoog, zwart en zwaar gehaakt, drieendertig tot veertig millimeter lang, met de typische buisneus bovenop; oog en poten zijn zwart. De vlucht is de beste eerste aanwijzing: snelle, hoge bogen met stijve vleugels, veel zweven en weinig slagen, heel anders dan de rechtlijnige, laag scherende vlucht van de grote pijlstormvogels.

Verwarrings­soorten

De lastigste is de langvleugelstormvogel (Pterodroma macroptera), waarvan deze soort is afgesplitst. Ze zijn even groot en even zwaar - AVONET geeft voor allebei dezelfde vleugellengte en hetzelfde gewicht - en verschillen alleen in de mate waarin het bleke gezicht doorzet: de grijsmaskerstormvogel heeft gemiddeld meer en contrastrijker lichtgrijs op voorhoofd, kin en keel, de langvleugelstormvogel is daar beperkter en vuiler getekend. Op zee is dat verschil onbetrouwbaar, want sleet, licht en zoutaanslag veranderen het beeld, en de herziening uit 2016 die de splitsing onderbouwde stelt zelf dat vrijwel alle velddeterminaties op gebied berusten en dat de mogelijke overlapzone voor de kust van Zuidoost-Australie slecht in kaart is gebracht. In Nieuw-Zeelandse wateren is een donkere Pterodroma vrijwel zeker deze soort; in het zuiden en westen van Australie vrijwel zeker de andere; in de Tasmanzee is voorzichtigheid geboden. Verder is er de providencestormvogel (Pterodroma solandri), die witte handpenbases op de ondervleugel heeft en een bleker, schubbig gezicht; de donkere vorm van de kermadecstormvogel (Pterodroma neglecta), die witte schachten op de bovenvleugel toont; en de kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris), die kleiner en grijzer is, een opvallend grote kop heeft en bij bepaald licht zilverig oplicht op de ondervleugel. De grote donkere Procellaria-soorten en de geelsnavelpijlstormvogel (Ardenna carneipes) zijn in een oogopslag te scheiden op de bleke, lichthoornkleurige snavel en op de veel vlakkere, minder wilde vlucht.

Leefgebied

Buiten het broedseizoen een vogel van de open oceaan, vooral van het subtropische en gematigde zuidwesten van de Stille Oceaan tussen ongeveer 25 en 50 graden zuiderbreedte, waar hij boven diep water foerageert en het continentaal plat meestal alleen kruist op weg naar elders. Het voedsel bestaat vooral uit inktvis, aangevuld met vis en kreeftachtigen, en wordt voor een groot deel 's nachts van het oppervlak gepakt - waarschijnlijk met hulp van het licht van bioluminescente prooi. Om te broeden komt hij aan land op steile, begroeide kliffen en op eilandjes voor de kust van het noorden van het Noordereiland, waar hij zijn hol graaft in de bosbodem of tussen de vegetatie op de klifkoppen. Een deel van de kolonies ligt op het vasteland zelf, op landtongen die door hekwerk en predatorbeheer veilig worden gehouden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt uitsluitend in het noorden van Nieuw-Zeeland, over een strook van ongeveer zeshonderd kilometer van de Three Kings Islands in het uiterste noorden zuidwaarts tot Cape Kidnappers in Hawke's Bay. De grootste kolonie ligt op Moutohora (Whale Island) met naar schatting 95.000 broedparen. Buiten het broedseizoen verspreiden de vogels zich over de zuidwestelijke Stille Oceaan en de Tasmanzee tot in Australische wateren, waar ze vooral voor de zuidoostkust regelmatig zijn. Dat blijkt ook uit de meetgegevens van deze gids: tien van de tien jaren aanwezig in zowel Australie als Nieuw-Zeeland, met 5975 Australische, 4340 Nieuw-Zeelandse en 55 Norfolk-waarnemingen. Daarmee is dit van de drie recente splitsingen in deze gids veruit de best gedocumenteerde soort, ondanks het feit dat de ruggengraattaxonomie van GBIF de splitsing nog niet heeft doorgevoerd en de cijfers op ondersoortniveau moesten worden verzameld.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Pelagische tochten vanaf de noordoostkust van het Noordereiland - Whitianga, Tutukaka, de Hauraki Golf - leveren deze soort het hele jaar door op, met de beste kansen tussen maart en december als de vogels bij de kolonies zijn. Let bij een donkere Pterodroma eerst op de vlucht en dan pas op de kop: hoge, snelle bogen met stijve vleugels, en een korte, dikke, zwarte snavel. Wie het masker wil zien, moet wachten tot de vogel laag langs de boot draait met het licht in de rug; frontaal en tegenlicht lijkt hij gewoon egaal zwart. Voor het geluid: ga bij een beheerde vastelandkolonie na zonsondergang staan in april of mei.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de niet bedreigde categorie (Least Concern) en in Nieuw-Zeeland geldt hij als Not Threatened; met een populatie die in de honderdduizenden loopt en een broedareaal dat over zeshonderd kilometer kust is uitgesmeerd, is dat terecht. De bedreigingen zijn lokaal in plaats van landelijk: ratten, katten, hermelijnen en varkens op vastelandkolonies en op eilanden die nog niet predatorvrij zijn, verstoring en lichthinder bij fledglings die in december en januari uitvliegen, en bijvangst in de langelijnvisserij. De gewoonterechtelijke oogst van kuikens door enkele iwi is een oude praktijk waarvan de duurzame omvang inmiddels met onderzoek wordt onderbouwd. Predatorbeheer op de vastelandkoppen en de eradicatieprogramma's op de kusteilanden hebben het broedsucces op meerdere plekken merkbaar verbeterd.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma gouldi | (Hutton, 1869)

De soortnaam gouldi eert John Gould, de negentiende-eeuwse Britse ornitholoog wiens werk aan de Australische vogelwereld nog altijd doorklinkt in tientallen wetenschappelijke namen. De geslachtsnaam Pterodroma is Grieks voor vleugelrenner, van pteron, vleugel, en dromos, loop - een treffende beschrijving van de manier waarop deze vogels over de golven jagen. De Nederlandse naam grijpt op het enige kenmerk dat hem van zijn zustersoort onderscheidt: het bleke, grijze masker rond snavelbasis en keel. In het Maori heet hij oi, en ook titi of northern muttonbird.