Alle soorten › Zangvogels › Waaierstaarten › Grijze waaierstaart
Grijze waaierstaart | Rhipidura albiscapa
Grey Fantail | Abanico gris
De grijze waaierstaart is de onrustigste vogel van het Australische bos: een grijs pluimpje van vijftien centimeter dat geen halve seconde stilzit, zijn staart als een waaier openslaat en er in de lucht achteraan buitelt om vliegjes te vangen. Hij is nieuwsgierig naar mensen en komt vaak vanzelf een tak dichterbij om te kijken wat er beweegt.
Geluid
Een hoog, bijna metaalachtig tsjiek, los gegeven of, vaker, tot een snel ratelend kwetterzinnetje aaneengeregen. De zang is een ijl, klimmend en dalend violinistisch riedeltje van zeven of acht noten, zo dun dat het bij wind wegvalt. Bij het nest klinkt een scherp gesnerp. Wie het gepiep hoort weet dat de vogel er is voordat hij hem ziet bewegen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een klein, langstaartig vogeltje van 14 tot 16 centimeter, waarvan de helft staart, en van amper negen gram. De bovendelen zijn grijs tot grijsbruin, de onderdelen lichter en vaak geelbruin tot oranje getint. De keel is wit, met daaronder een smalle donkere band, en boven het oog en op de wang staan witte streepjes. Over de vleugel lopen twee lichte strepen. De buitenste staartpennen zijn wit gezoomd of geheel wit, afhankelijk van de ondersoort; in de gespreide staart is dat het opvallendste kenmerk.
Verwarringssoorten
De streepborstwaaierstaart (Rhipidura rufiventris) is groter, zit stil en rechtop, houdt de staart gesloten en heeft één brede grijze borstband. De arafurawaaierstaart (Rhipidura dryas) en de australische vuurstuitwaaierstaart (Rhipidura rufifrons) hebben een oranje stuit. De mangrovewaaierstaart (Rhipidura phasiana) is bleker en blijft in de mangrove. De maoriwaaierstaart (Rhipidura fuliginosa) is de Nieuw-Zeelandse zustersoort waarvan deze vogel is afgesplitst; die komt in Australië niet voor.
Leefgebied
Bijna elk beboste terrein: nat en droog eucalyptusbos, regenwoud, mangrove, heide met bomen en woodland tot in het halfdroge binnenland langs de kreken. In de winter, in juni en juli, verschijnt hij in dicht beplante stadstuinen en parken, waar hij anders ontbreekt. Hij jaagt in de middelste en onderste laag en heeft open ruimte tussen de takken nodig om zijn luchtacrobatiek te kunnen doen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Geheel Australië inclusief Tasmanië, en verder Norfolk, Nieuw-Caledonië, Vanuatu en de Salomonseilanden; op Norfolk leeft een eigen ondersoort. De zuidoostelijke vogels trekken: in de herfst en winter, van maart tot augustus, schuiven ze noord- en noordwestwaarts, terwijl de westelijke en oostelijke bergvormen ter plaatse blijven en de binnenlandse vorm zwerft. In het Noordelijk Territorium, aan de rand van het areaal, is hij zeldzaam en staat hij op de territoriale lijst als ernstig bedreigd.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk naar beweging, niet naar kleur: in het halfdonker van de onderlaag is hij een grijze flits met een witte staartrand. Blijf staan, want hij komt naar je toe — een mens die door struiken loopt jaagt insecten op en de waaierstaart heeft dat door. In de winter is het de vogel die je in een zuidelijke stadstuin het eerst tegenkomt, terwijl hij daar in de zomer weg is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het grootste deel van Australië algemeen. Hij redt zich in versnipperd bos beter dan de meeste bosvogels, omdat hij smalle stroken langs wegen en kreken kan gebruiken en in de winter naar tuinen uitwijkt. Waar de onderlaag helemaal wordt weggehaald verdwijnt hij wel. Aan de noordelijke rand van zijn areaal is hij schaars, en de trekkende zuidoostelijke vogels sneuvelen in aantal tegen ruiten.
Wetenschappelijke naam
Rhipidura albiscapa | Gould, 1840
Gould beschreef de soort in 1840 meteen in Rhipidura, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, uit het Griekse rhipis, rhipidos, waaier, en oura, staart. albiscapa betekent witschachtig, uit het Latijnse albus, wit, en scapus, schacht, naar de witte schachten van de buitenste staartpennen. De typelocatie is Tasmanië. De naam Rhipidura fuliginosa hoort sinds de splitsing bij de Nieuw-Zeelandse vogel.




