Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Groenpootruiter

Groenpootruiter | Tringa nebularia

Common Greenshank | Archibebe claro

De groenpootruiter is de grootste en veruit de algemeenste ruiter van dit werelddeel: een lichtgrijze, slanke steltloper van ruim dertig centimeter, met lange geelgroene poten en een zware, iets opgewipte snavel. Hij staat even gemakkelijk op een slikplaat aan zee als op een uitdrogende claypan diep in het binnenland, en verraadt zich bijna altijd met zijn heldere driedelige fluitroep voordat je hem ziet.

Groenpootruiter (Tringa nebularia)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De vaste roep is een helder, ver dragend fluitje van drie gelijke, licht dalende noten: tjoe-tjoe-tjoe, vrijwel altijd op het moment van opvliegen en vaak al voordat de waarnemer de vogel heeft opgemerkt. Het is een vol, rond geluid, duidelijk lager en breder dan het scherpe, hoge tjip van de poelruiter. Foeragerende vogels laten zachte, korte contactnoten horen, en bij onrust in een groep zwelt het fluitje aan tot een onregelmatig koor.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, langbenige ruiter van dertig tot vijfendertig centimeter, van boven grijsbruin met lichte veerzomen, van onderen wit, met een fijn gestreepte kop en hals. De snavel is fors en ongeveer vijf centimeter lang, zwartig naar de punt en grijsgroen naar de basis, en loopt licht omhoog — die opwipping is het beste kenmerk in profiel. De poten zijn lang en lichtgeelgroen tot blauwgroen, nooit oranje of geel. In de vlucht is de vleugel egaal donker zonder vleugelstreep, en loopt een scherpe witte wig van de stuit tot ver de rug op; de tenen steken maar een klein stukje voorbij de staart. In broedkleed komt er zwarte streping op borst en flanken bij.

Verwarrings­soorten

De poelruiter (Tringa stagnatilis) draagt dezelfde witte wig op de rug en dezelfde groene poten, maar is een derde kleiner, veel fijner gebouwd, met een kaarsrechte naaldfijne snavel in plaats van een zware opgewipte, en met poten die in de vlucht ver voorbij de staart uitsteken. Nordmanns groenpootruiter (Tringa guttifer) is bijna even groot en heeft ook de witte wig, maar zijn poten zijn opvallend kort en dofgeel en reiken nauwelijks voorbij de staart, zijn tweekleurige snavel is dikker aan de basis, en hij heeft zwemvliezen tussen de voorste tenen. De tureluur (Tringa totanus) heeft oranjerode poten en een rode snavelbasis, en toont in de vlucht brede witte achterranden aan beide vleugels die de groenpootruiter volledig mist. De siberische grijze ruiter (Tringa brevipes) is egaal grijs, kortpotig en heeft géén wit op rug of stuit.

Leefgebied

Zowel zout als zoet, en daarin de breedste van alle ruiters hier: intergetijdenslik en zandplaten van estuaria, mangrovekreken, zoutwinningsbekkens en kwelders aan de kust, en landinwaarts de oevers van meren en stuwmeren, claypans die na regen vollopen, rijstvelden, waterzuiveringsvijvers en veedrinkpoelen. Hij foerageert lopend in ondiep water, pikkend van het oppervlak en soms met korte spurts achter kleine vis aan.

Verspreiding en trek

Algemeen en wijdverbreid over heel Australië, aan alle kusten en tot ver in het binnenland — hij is met afstand de talrijkst gemelde Tringa van de gids. De vogels komen tussen augustus en november binnen, blijven daarna vrij honkvast op één gebied en vertrekken in maart en april. Nieuw-Zeeland bereikt hij maar zelden: eind jaren tachtig werden er nog jaarlijks tot zes geteld, daarna volgde een gat, en tussen 2004 en 2020 gaat het om een achttal gevallen op het vasteland plus enkele op de buiteneilanden. Op Norfolk is hij een schaarse verschijning.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Laat het oor het werk doen: het heldere tjoe-tjoe-tjoe bij het opvliegen is op een groot wad het snelste determinatiemiddel dat er is, en het klinkt vaak voordat je de vogel hebt gevonden. Kijk daarna in profiel naar de snavel — de lichte opwaartse bocht scheidt hem meteen van de kaarsrechte poelruiter — en bij overvliegende vogels naar de rug, waar de witte wig als een punt tot tussen de schouders doorloopt.

Staat van instandhouding

Niet in gevaar (LC): de soort broedt over een enorme strook van Schotland tot Kamtsjatka en de wereldstand is groot. Op de Oost-Aziatisch-Australaziatische trekweg is het beeld minder rustig dan die letters suggereren, want ook deze soort hangt op de heenreis aan de slikplaten rond de Gele Zee, waarvan een groot deel is ingepolderd. Dat hij hier zowel de kust als het binnenland gebruikt, maakt hem minder kwetsbaar dan de strikt getijgebonden steltlopers: als een estuarium tegenvalt, kan hij uitwijken naar een binnenlandse claypan.

Wetenschappelijke naam

Tringa nebularia | (Gunnerus, 1767)

Gunnerus beschreef de soort in 1767 als Scolopax nebularia; door de latere verplaatsing naar Tringa staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton komt van het Latijnse nebula, 'nevel, mist', naar het vochtige moerasland waarin de vogel broedt; de typelocatie ligt in het district Trondheim in Noorwegen. De geslachtsnaam Tringa werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en gaat via het Neolatijn terug op het Griekse trungas, een lijstergrote, witgestuite, wippende waadvogel die Aristoteles noemt. De Nederlandse naam wijst op de pootkleur, net als het Engelse Greenshank.